ECLI:NL:RBROT:2021:12117

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 december 2021
Publicatiedatum
9 december 2021
Zaaknummer
ROT 20/5934
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens niet-toerekenbare fouten contactpersoon bij griffierecht

Opposante maakte bezwaar tegen een besluit van 8 oktober 2020 en stelde beroep in, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan. Opposante deed verzet tegen deze uitspraak en voerde aan dat zij door persoonlijke omstandigheden tijdelijk op een ander adres verbleef en daardoor post niet ontving. Tevens was zij afhankelijk van bijzondere bijstand voor het griffierecht, die inmiddels was toegekend.

De rechtbank oordeelde dat opposante gedwongen was opgenomen in het stelsel Bewaken en Beveiligen en op een anoniem adres verbleef met een toegewezen contactpersoon. De nota's voor het griffierecht waren aan deze contactpersoon gestuurd, die deze niet had doorgestuurd aan opposante. Hierdoor was het niet redelijk om opposante het verzuim toe te rekenen.

Het verzet werd daarom gegrond verklaard, de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd voortgezet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat niet was gebleken dat opposante kosten had gemaakt. De rechtbank wees erop dat opposante opnieuw griffierecht zal moeten voldoen en dat in voorkomende gevallen beroep kan worden gedaan op betalingsonmacht.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard omdat de fouten van de contactpersoon niet aan opposante kunnen worden toegerekend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/5934
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2021 als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[naam opposante] , te [plaats] , opposante,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2021 in het geding tussen opposante en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: verweerder) over het besluit van 8 oktober 2020.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van opposante tegen het besluit van 25 mei 2020 ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit heeft namens opposante [persoon A] beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 12 februari 2021 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op 7 december 2021. Partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

De verzetprocedure
1. Het gaat in deze verzetprocedure om de vraag of de rechtbank het beroep van opposant terecht zonder zitting heeft afgedaan bij de uitspraak van 12 februari 2021. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing.
2. In de uitspraak van 12 februari 2021 (waartegen verzet is gedaan) is overwogen dat opposante het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan.
Het verzetschrift
3. Opposante heeft in verzet aangevoerd dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden tijdelijk op een ander adres heeft verbleven en om die reden veel post niet heeft ontvangen. Voor het voldoen van de eigen bijdrage is opposante afhankelijk van bijzondere bijstand waar zij een aanvraag voor heeft ingediend. De bijzondere bijstand is inmiddels toegekend.
Het wettelijk kader
4. Uit het bepaalde in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb volgt dat door de griffier van de indiener van het beroepschrift griffierecht wordt geheven.
Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het verschuldigde bedrag van het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
Beoordeling van het verzet
5. De verzetrechter overweegt het volgende. Gelet op de brief van het Openbaar Ministerie van 6 januari 2020 is gebleken dat opposante gedwongen in het stelsel Bewaken en Beveiligen is opgenomen. Als gevolg hiervan is zij op een anoniem adres ondergebracht en is een contactpersoon aan haar toegewezen (geen eigen keuze van opposante). Aan deze contactpersoon zijn de nota griffierecht en de daaropvolgende herinnering verstuurd die klaarblijkelijk niet zijn doorgestuurd aan opposante. Gelet op de situatie van opposante is het niet redelijk om de fouten van deze contactpersoon toe te rekenen aan opposante en te oordelen dat opposante hierdoor in verzuim is geweest. Om die reden is het verzet gegrond.
De uitspraak
6. Het verzet is gegrond. De buitenzitting-uitspraak van 12 februari 2021 vervalt hiermee en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Dit betekent onder andere dat aan opposante opnieuw griffierecht zal worden geheven. De verzetrechter wijst er ten slotte nog op dat in voorkomende gevallen een beroep kan worden gedaan op
Betalingsonmacht griffierecht.
7. Het is niet gebleken dat opposante in verzet kosten heeft gemaakt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarmee geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 december 2021.
De griffier en rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.