Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..Het geschil in conventie
4..Het geschil in reconventie
5..De beoordeling in conventie
6..De beoordeling in reconventie
7..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
In deze huurzaak vordert de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik, terwijl de huurder in reconventie vordert dat de verhuurder gebreken aan de woning herstelt. De kantonrechter stelt vast dat de verhuurder de woning dringend nodig heeft, maar dat de huurder onvoldoende passende woonruimte in de nabije omgeving is aangeboden. Gezien de bijzondere omstandigheden van de huurder en haar dochter, waaronder medische en sociale factoren, acht de rechter het noodzakelijk dat passende woonruimte dichtbij de huidige woning ligt.
De huurder heeft slechts op één aangeboden woning gereageerd en staat op een wachtlijstpositie die het onwaarschijnlijk maakt dat zij snel een passende woning zal ontvangen. Daarom wordt de ontbindingsvordering afgewezen. In reconventie erkent de verhuurder meerdere gebreken aan de woning, maar stelt dat de huurder onvoldoende meewerkt aan herstel. De rechter oordeelt dat de verhuurder de gebreken moet herstellen en geeft hem een termijn van zes maanden om dit te doen.
Indien de verhuurder niet binnen deze termijn de gebreken herstelt, wordt een dwangsom van € 50 per dag opgelegd tot een maximum van € 7.500. De proceskosten worden in conventie gecompenseerd en in reconventie worden deze aan de verhuurder opgelegd. Het vonnis is gewezen door de kantonrechter en uitgesproken in een openbare zitting.
Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld tot herstel van de gebreken binnen zes maanden onder dreiging van een dwangsom.