Partijen sloten in 2014 een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte die door de huurder als restaurant werd geëxploiteerd. Door betalingsachterstanden ontstond een geschil over de hoogte van de huur en de vraag of de huurder recht had op huurkorting vanwege Covid-19-gerelateerde overheidsmaatregelen.
Klépierre vorderde ontruiming van het gehuurde, betaling van de volledige huurachterstand inclusief contractuele boetes en buitengerechtelijke kosten, en veroordeling in proceskosten. De huurder erkende een huurachterstand maar stelde recht te hebben op huurkorting wegens onvoorziene omstandigheden en betwistte het spoedeisend belang.
De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van Klépierre voldoende was en dat de huurachterstand erkend werd tot een bedrag van €57.917,84. De exacte hoogte van huurkorting kon niet in kort geding worden vastgesteld wegens gebrek aan onderbouwing. De vordering tot betaling van de huurachterstand en buitengerechtelijke kosten werd toegewezen, de contractuele boetes en huurbetalingen vanaf december 2021 werden afgewezen.
De ontruiming werd toegewezen met een termijn van één maand na betekening van het vonnis. De gevorderde dwangsom werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.