ECLI:NL:RBROT:2021:12236

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
9413342
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand en ontruiming

Woonbron verhuurt een woning aan [gedaagde], die een huurachterstand van €2.495,10 tot en met augustus 2021 heeft opgebouwd. Woonbron vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van de achterstallige huur met wettelijke rente, alsmede een schadevergoeding voor iedere maand dat de huurder na 1 september 2021 de woning blijft bewonen.

[gedaagde] verzet zich tegen de ontbinding en vraagt subsidiair om een termijn om de achterstand in te lopen, verwijzend naar haar verlies van werk en afwijzing van WW-uitkering, met mogelijke ernstige gevolgen zoals inschrijving op een zwarte lijst en verlies van sociale huurwoning.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand en de omstandigheden niet zwaarwegend genoeg zijn om ontbinding te voorkomen. De vorderingen tot betaling, ontbinding en ontruiming worden toegewezen, met een ontruimingstermijn van 14 dagen. Woonbron zal de ontruiming niet uitvoeren zolang de lopende huur wordt voldaan en er een regeling met de kredietbank wordt getroffen.

[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het méér of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens huurachterstand en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen en betaling van achterstallige huur met rente.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9413342 CV EXPL 21-28817
uitspraak: 3 december 2021 (bij vervroeging)
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de stichting
Stichting Woonbron,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 24 augustus 2021,
gemachtigde: H.A.M. Over de Vest te Zoetermeer,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats gedaagde],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A. El Idrissi te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als Woonbron respectievelijk [gedaagde].

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding, met producties;
  • de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties;
  • het vonnis van 18 oktober 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 november 2021. Woonbron is verschenen vertegenwoordigd door haar gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffer aantekening gemaakt.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis (nader) bepaald op vandaag.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1
Woonbron verhuurt aan [gedaagde] de woonruimte aan de [adres] (hierna: ‘het gehuurde’). [gedaagde] is aan Woonbron een maandelijkse huurprijs verschuldigd van € 652,13, welke huurprijs bij vooruitbetaling verschuldigd is.
2.2
[gedaagde] heeft berekend tot en met augustus 2021 een betalingsachterstand laten ontstaan van € 2.495,10. [gedaagde] heeft de huurprijs over de maanden september, oktober en november 2021 aan Woonbron voldaan.

3..Het geschil

3.1
Woonbron heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Woonbron van de door haar genoemde bedragen, waarin begrepen € 2.495,10 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand augustus 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.414,87, zijnde de huurachterstand tot en met 30 juni 2021, vanaf 1 juni 2021 tot de dag van algehele voldoening. Woonbron vordert voorts een schadevergoeding van € 652,13, dan wel het bedrag dat [gedaagde] na huurprijswijziging verschuldigd zou zijn bij voortzetting van de huurovereenkomst, voor iedere maand dat [gedaagde] de woning na 1 september 2021 in bezit zal houden, waarbij een ingegane maand wordt gerekend voor een volle maand.
3.2
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Woonbron. Subsidiair verzoekt zij haar een terme de grace toe te staan. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet zou mogen worden uitgesproken, gelet op de omstandigheden die de oorzaak zijn geweest van de ontstane huurachterstand – het verlies van haar baan en het afwijzen van de aangevraagde WW-uitkering – en de gevolgen die een ontbinding van de huurovereenkomst en daarmee een ontruiming van de woning voor haar zouden hebben. Zij zal dan op een zwarte lijst terecht komen, niet meer in aanmerking komen voor een sociale huurwoning, haar uitkering kwijtraken en daarmee op straat terecht komen. [gedaagde] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat zij in verband met haar schuldenproblematiek is aangemeld voor hulp van de Gemeentelijke Kredietbank. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten moeten worden afgewezen omdat Woonbron geen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.

4..De beoordeling

4.1
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de door Woonbron gevorderde bedragen en de feiten waarop de vordering is gebaseerd niet heeft betwist. Dat betekent dat de vordering voor zover die betrekking heeft op de betaling van de huurachterstand, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
4.2
[gedaagde] heeft zich evenmin verweerd tegen de door Woonbron gevorderde schadevergoeding van € 652,13 per maand (of het bedrag dat [gedaagde] na huurprijswijziging verschuldigd is) voor iedere maand dat zij de woning na 1 september 2021 in bezit heeft. Nu bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is vastgesteld dat de verschuldigde huur over de maanden september, oktober en november 2021 door [gedaagde] is voldaan, zal deze vordering worden toegewezen met ingang van 1 december 2021.
4.3
De door Woonbron gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn eveneens toewijsbaar, nu de door Woonbron ter zake aan [gedaagde] verzonden aanmaning voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 daaraan Pro stelt.
4.4
Op de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst is het stelsel van artikel 6:265 BW Pro van toepassing. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen haar wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortschietende partij aantoont dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden, hoe vervelend deze ook voor haar zijn, niet dermate bijzonder en zwaarwegend zijn dat het woonbelang van [gedaagde] dient te prevaleren boven het belang van Woonbron bij een huurder die zijn betalingsverplichting behoorlijk nakomt en geen huurachterstand van, zoals hier, vier maanden laat ontstaan. Weliswaar zijn de gevolgen voor [gedaagde] aanzienlijk (in zijn algemeenheid geldt dat voor een ieder een onvrijwillige ontbinding van de huurovereenkomst en de bijbehorende ontruiming ingrijpend is), maar dat de huurachterstand is ontstaan door betalingsonmacht komt voor rekening en risico van [gedaagde] en niet van Woonbron. Dit betekent dat de vorderingen tot ontbinding en ontruiming toewijsbaar zijn, met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt vastgesteld op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
4.5
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Woonbron desgevraagd verklaard dat, indien [gedaagde] de lopende huurtermijnen blijft voldoen, en in afwachting van een definitieve regeling met de kredietbank, niet over zal worden gaan tot de tenuitvoerlegging van de in dit vonnis uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
4.6
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

5..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen een bedrag van € 2.824,50, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.414,87 vanaf 1 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;
ontbindt de onder 2.1 genoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege haar daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Woonbron te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen een bedrag van € 652,13 dan wel het bedrag dat [gedaagde] na huurprijswijziging verschuldigd zou zijn bij voortzetting van de huurovereenkomst, voor iedere maand dat zij na 1 december 2021 het gehuurde in bezit zal houden;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron vastgesteld op € 628,38 aan verschotten en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde .
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
51909