Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw N. Valentijn, werkzaam bij Van den Bosse Bewindvoeringen (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker diende op 27 september 2021 een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om de gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met een schuldregeling die zij weigert te accepteren. De schuldregeling betrof vijf schuldeisers, waaronder één preferente schuldeiser, de gemeente Rotterdam, met drie preferente vorderingen.
De gemeente Rotterdam weigerde instemming vanwege de aard van haar vorderingen, die volgens haar onder artikel 60c Participatiewet vallen en niet minnelijk geregeld mogen worden. Verzoeker bood een regeling aan waarbij preferente schuldeisers 13,99% en concurrente schuldeisers 7% van hun vordering ontvangen, gebaseerd op zijn afloscapaciteit vanuit een Participatiewet-uitkering en een opleiding tot beveiliger.
De rechtbank oordeelde dat de weigering van de gemeente Rotterdam niet redelijk was gezien de belangenafweging tussen de schuldeiser enerzijds en verzoeker en overige schuldeisers anderzijds. De schuldregeling was deskundig getoetst, goed gedocumenteerd en het uiterste wat verzoeker kon bieden. De rechtbank stelde vast dat de regeling gunstiger was dan een schuldsaneringsregeling en wees het subsidiaire verzoek af.
De rechtbank beval de gemeente Rotterdam tot instemming met de schuldregeling, veroordeelde haar in de proceskosten en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Hiermee werd een gedwongen schuldregeling afgekondigd die de vrijwillige instemming vervangt.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de gemeente Rotterdam in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsanering af.