ECLI:NL:RBROT:2021:12353

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 december 2021
Publicatiedatum
15 december 2021
Zaaknummer
ROT 21/1804
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar WOZ-waarde 2018

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak voor het belastingjaar 2018, vastgesteld op €149.000,-. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, waarna eiser beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verwees de zaak terug naar verweerder met de opdracht een nieuw besluit te nemen.

Ondanks deze opdracht heeft verweerder niet tijdig een uitspraak op bezwaar gedaan. Eiser stelde verweerder vervolgens in gebreke en diende een beroep in wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat verweerder in gebreke is gebleven en dat het beroep gegrond is.

De rechtbank legt een dwangsom op van €100,- per dag met een maximum van €15.000,- en bepaalt dat verweerder binnen twee weken alsnog een uitspraak op bezwaar moet doen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt gegrond verklaard, verweerder wordt opgedragen binnen twee weken uitspraak te doen en een dwangsom opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/1804

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: [naam],
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

Procesverloop

Met het besluit van 22 januari 2018 (de WOZ-beschikking) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2018 vastgesteld op € 149.000,-.
Met de uitspraak op bezwaar van 16 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 januari 2020 het beroep gegrond verklaard en de zaak terugverwezen naar verweerder. De rechtbank heeft verweerder opgedragen, om met inachtneming van de uitspraak, opnieuw te beslissen op het bezwaar.
Bij brief van 15 februari 2021 heeft eiser verweerder verzocht te beslissen op het bezwaar.
Eiser heeft op 29 maart 2021 een beroep niet-tijdig beslissen ingesteld.

Overwegingen

1. In geschil is of tijdig uitspraak is gedaan op bezwaar en of eiser recht heeft op een dwangsom. De rechtbank beslist op basis van de door verweerder overgelegde (op de zaak betrekking hebbende) stukken. Ondanks aankondiging in verweerders brief waarbij die stukken zijn toegezonden dat het verweerschrift nog zou volgen, heeft de rechtbank dat niet aangetroffen.
Niet tijdig beslissen
2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb bepaalt dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit eerst kan worden ingediend nadat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
2.1
Op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet doet de heffings-ambtenaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen ingeval het bezwaarschrift niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar.
3.1.
Eiser stelt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar, zodat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond moet worden verklaard. De rechtbank volgt eiser hierin en overweegt als volgt.
3.2
De rechtbank heeft verweerder in de hiervoor onder ‘Procesverloop’ genoemde uitspraak van 20 januari 2020 op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opgedragen een nieuw besluit te nemen zonder daarbij een termijn te noemen. Verweerder moest zo spoedig mogelijk tot actie overgaan, in ieder geval binnen de daarvoor door de wet gestelde termijnen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4634, onder 5.3). De termijn voor het doen van een uitspraak eindigde dus op 31 december 2020. Nog altijd heeft verweerder geen uitspraak op bezwaar gedaan, althans een uitspraak is eiser en de rechtbank niet bekend.
3.3
Nu aan de voorwaarden voor het instellen van beroep wegens het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar is voldaan, is het beroep gegrond. De rechtbank bepaalt op de voet van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat verweerder binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een uitspraak op bezwaar bekendmaakt. Tevens verbindt de rechtbank op de voet van het tweede lid van dat artikel aan haar uitspraak een nadere dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft deze uitspraak na te leven met een maximum van € 15.000,-.
Dwangsom
4.1
Eiser stelt dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat hij verweerder op 15 februari 2021 in gebreke heeft gesteld en verweerder niet binnen twee weken een uitspraak op bezwaar heeft gedaan.
4.2
Verweerder heeft de ontvangst van de ingebrekestelling niet ontkend en niet bevestigd. Onder de door verweerder ingezonden stukken bevindt zich de door eiser aan verweerder gestuurde brief van 15 februari 2021. Bovenaan de brief staat vermeld dat die zowel aangetekend als per e-mail is verzonden. De rechtbank overweegt dat daarmee voldoende aannemelijk is dat hij verweerder in gebreke heeft gesteld en dat daarmee wordt voldaan aan de in artikel 4:17 van Pro de Awb gestelde voorwaarden. Eiser heeft daarom recht op een dwangsom. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Het tweede lid bepaalt dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag. Het derde lid bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4.4
Eiser heeft verweerder op 15 februari 2021 in gebreke gesteld. Tot op heden is er, zoals hiervoor is overwogen, geen uitspraak op bezwaar gedaan.
Omdat verweerder de wettelijk voorgeschreven beslistermijnen niet heeft nageleefd en niet is gebleken is van uitzonderingsgevallen zoals vermeld in artikel 4:17, zesde lid, van de Awb, is verweerder een dwangsom van € 1.260,- verschuldigd (14 dagen × € 20,-, 14 dagen × € 30,- en 14 dagen × € 40,-).
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 267,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift à € 534,- per punt × wegingsfactor 0,5) [1] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 267,-.
  • draagt verweerder op uitspraak op bezwaar te doen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Richtsnoer proceskostenvergoeding Gerechtshof Den Haag 11 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2131.