Partijen sloten op 23 oktober 2020 een koopovereenkomst voor een perceel met woning. De koper stelde een financieringsvoorbehoud en stelde de koopovereenkomst op grond daarvan op 28 november 2020 rechtsgeldig ontbonden, nadat de hypotheekaanvraag was afgewezen.
De verkoper betwistte de ontbinding en stelde dat de kopers tekort waren geschoten in hun verplichtingen, onder meer omdat zij activiteiten hadden verricht die het verkrijgen van financiering zouden hebben belemmerd en de ontbindingsmededeling onvoldoende gedocumenteerd was.
De rechtbank oordeelde dat de kopers niet tekort waren geschoten. Het opzeggen van een baan door een koper werd niet als tekortkoming gezien, mede omdat anders het dienstverband toch beëindigd zou zijn. Ook was de ontbindingsmededeling goed gedocumenteerd met de afwijzingsbrief en hypotheekaanvraag.
Daarmee was de ontbinding rechtsgeldig en vervielen de verplichtingen tot afname en betaling. De vorderingen van de verkoper tot betaling van een boete en kosten werden afgewezen. De verkoper werd veroordeeld in de proceskosten.
Het vonnis werd uitgesproken op 24 november 2021 door rechter B. van Velzen.