ECLI:NL:RBROT:2021:12541
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering kinderbijslag wegens onvoldoende bewijs onderhoudsbijdrage tweede kwartaal 2020
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen de intrekking en terugvordering van kinderbijslag door de Sociale verzekeringsbank (Svb) over het tweede kwartaal van 2020. Verweerder had de kinderbijslag ingetrokken omdat eiser geen bewijs kon leveren dat hij de onderhoudsbijdrage voor dat kwartaal op een voor de Svb controleerbare wijze had voldaan.
Eiser stelde dat hij een cheque had gegeven voor de onderhoudsbijdrage van maart tot en met augustus 2020, maar de rechtbank oordeelde dat deze betaling als bijdrage voor het eerste kwartaal moest worden beschouwd. Tevens voldeed de cheque niet aan de voorwaarden van de Beleidsregel SB1057, die vereist dat betalingen voor kinderen in het buitenland via erkende banken of betalingsinstellingen plaatsvinden en eenvoudig controleerbaar zijn.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de Svb terecht de kinderbijslag had ingetrokken en teruggevorderd. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Ook het argument van eiser dat in 2021 vergelijkbare betalingen wel werden geaccepteerd faalde, omdat hij toen wel geldige bewijsstukken had overgelegd. De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde niet tot proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van kinderbijslag over het tweede kwartaal 2020 wordt ongegrond verklaard.