ECLI:NL:RBROT:2021:12879

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2021
Publicatiedatum
27 december 2021
Zaaknummer
FT EA 21/1485 en FT EA 21/1486
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium bij dreigende ontruiming huurwoning

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. Haar financiële problemen ontstonden door een arbeidsurenreductie in 2019 en het verlies van haar baan door de coronapandemie. Zij ontvangt een uitkering en huurtoeslag en heeft inmiddels uitzicht op een fulltime baan.

Verweerster, de verhuurder, voert aan dat verzoekster een aanzienlijke huurachterstand heeft en twijfelt aan haar betalingsvermogen. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege een ontruimingsvonnis en een exploot dat de ontruiming aankondigt. De wetgever beoogt met het moratorium een adempauze voor schuldenaren om een regeling te treffen.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden, mits de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Uitkomst: De rechtbank schort de ontruiming van de huurwoning op voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 23 december 2021
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 26 november 2021, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 26 novemer 2021 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 16 december 2021.
Ter zitting van 16 december 2021 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw A. Vrede-Dragan, werkzaam bij de gemeente Hellevoetsluis
Mr. A. Ekkel, werkzaam bij Bazuin & Partners, heeft namens [verweerster], gevestigd in [plaatsnaam], (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Verweerster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2..Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 12 november 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat haar financiële problemen zijn ontstaan nadat zij in 2019 door haar werkgever werd gekort op haar arbeidsuren. Hierdoor kon verzoekster onvoldoende inkomen genereren. Vervolgens verloor zij haar baan door de gevolgen van de coronapandemie die in haar sector – de cateringbranche – voor grote problemen heeft gezorgd. Verzoekster ontving een Werkloosheidsuitkering gevolgd door een Participatiewetuitkering. Daarnaast ontvangt verzoekster huurtoeslag. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij inmiddels zicht heeft op een fulltime arbeidsovereenkomst bij een nieuwe werkgever.
Het schuldhulpverleningstaject is 17 november 2021 gestart, aldus schuldhulpverlening. Momenteel is er sprake van een stabilisatiefase. Schuldhulpverlening heeft aangegeven dat verzoekster goed meewerkt om het traject tot een goed einde te brengen. Schuldhulpverlening geeft verder aan dat de afronding van het traject binnen zes maanden haalbaar is.

3..Het verweer

Verweerster heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat verzoekster de lopende huurtermijnen niet tijdig en volledig voldoet. De huurachterstand bedraagt thans € 6.617,83. Bij verweerster ontbreekt het vertrouwen dat verzoekster de openstaande huurachterstand en de toekomstige huurtermijnen zal kunnen betalen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 12 november 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 16 november 2021 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 7 december 2021 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 november 2021 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inmiddels uitzicht op een fulltime arbeidsovereenkomst. Met het inkomen dat zij hieruit zal genereren wordt zij in staat geacht om de lopende huurtermijnen te voldoen. Daarnaast is verzoekster gemotiveerd om aan het schuldhulpverleningstraject medewerking te geven. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 november 2021 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan het [adres] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening, die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van
mr. E.P.J. van de Luitgaarden, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 december 2021.