Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. Haar financiële problemen ontstonden door een arbeidsurenreductie in 2019 en het verlies van haar baan door de coronapandemie. Zij ontvangt een uitkering en huurtoeslag en heeft inmiddels uitzicht op een fulltime baan.
Verweerster, de verhuurder, voert aan dat verzoekster een aanzienlijke huurachterstand heeft en twijfelt aan haar betalingsvermogen. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege een ontruimingsvonnis en een exploot dat de ontruiming aankondigt. De wetgever beoogt met het moratorium een adempauze voor schuldenaren om een regeling te treffen.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden, mits de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.