Verzoekers hebben een schuldregeling aangeboden aan twintig schuldeisers, waarbij negentien schuldeisers instemden en één schuldeiser, met een vordering van slechts 0,3% van de totale schuld, weigerde mee te werken. De regeling is gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoekers, waarbij verzoeker fulltime werkt en verzoekster zich inspant om betaald werk te vinden.
De rechtbank stelt vast dat de weigering van de schuldeiser niet redelijk is, gezien het geringe aandeel van haar vordering en het feit dat de regeling door een onafhankelijke partij is getoetst en goed gedocumenteerd is. Verzoekers zitten in budgetbeheer en hebben geen nieuwe schulden laten ontstaan.
De rechtbank concludeert dat het belang van verzoekers en de overige schuldeisers zwaarder weegt dan dat van de weigeraar. Daarom beveelt de rechtbank de schuldeiser om in te stemmen met de regeling, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.