Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord te verkrijgen waarbij twee schuldeisers worden verplicht in te stemmen met een schuldregeling. De regeling voorziet in een betaling van 8,71% aan preferente en 4,35% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar afloscapaciteit uit een fulltime dienstverband. Twintig van de tweeëntwintig schuldeisers stemden in, maar twee schuldeisers weigerden vanwege de hoogte van hun vordering en vermeende onvolledige documentatie.
De rechtbank oordeelde dat de weigering van de twee schuldeisers niet redelijk was, mede omdat de regeling door een onafhankelijke partij was getoetst en goed gedocumenteerd was. De executoriale verkoop van de woning, waarover één schuldeiser klaagde, was niet aan verzoekster toe te rekenen. Verzoekster staat onder beschermingsbewind en voldoet aan haar werkverplichting, waardoor het voorstel het uiterste is wat redelijkerwijs van haar kan worden verwacht.
De rechtbank concludeerde dat het belang van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder weegt dan dat van de weigeraars. Het dwangakkoord werd toegewezen, de weigeraars werden veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen.