DGB Energie B.V. vorderde betaling van € 725,62 voor geleverde elektriciteit en gas over de periode van 29 november 2019 tot 1 mei 2020. De gedaagde betwistte het bestaan van een leveringsovereenkomst en stelde nooit klant van DGB te zijn geweest, mede omdat hij al een contract met Eneco had.
De rechtbank oordeelde dat DGB onvoldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van de overeenkomst. Zij had haar stellingen niet nader onderbouwd en geen bewijsstukken zoals een ondertekend contract of aanmeldformulier overgelegd. De enkele stelling dat de nota’s gebaseerd waren op daadwerkelijk verbruik, was onvoldoende om het bestaan van een overeenkomst aan te tonen.
Daarom werd de vordering afgewezen en werd DGB veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van de gedaagde nihil werden vastgesteld. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor het bestaan van een overeenkomst in civiele procedures.