De zaak betreft een geschil over schadeposten na het einde van een huurovereenkomst van een appartement. Gedaagde stelde dat eiser schade had veroorzaakt aan bomen, planten, tuinmeubilair en de keukenvloer, waarvoor zij vergoeding vorderde. De kantonrechter liet gedaagde toe tot het leveren van tegenbewijs.
Gedaagde bracht bewijsstukken in, waaronder foto’s, taxatierapporten en offertes, maar slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de schade tijdens de huurperiode was ontstaan. De foto’s en filmpjes waren niet gedateerd of toonden een andere periode dan de huurperiode. Hierdoor werd verondersteld dat eiser het gehuurde in goede staat had opgeleverd.
Wel werd vastgesteld dat schade aan een lamel en het frontpaneel van de vaatwasser bestond. Omdat gedaagde onvoldoende concrete onderbouwing gaf voor de schadebegroting, stelde de kantonrechter de schade op €100 ex aequo et bono vast. Deze schadevergoeding werd verrekend met de borgsom, waardoor gedaagde een bedrag van €1.450 aan eiser moest betalen.
Daarnaast werd de wettelijke rente over het bedrag toegewezen en de buitengerechtelijke incassokosten van €232,50. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van €764,58. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.