ECLI:NL:RBROT:2021:12965

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
29 december 2021
Zaaknummer
ROT 19/3841
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WobArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:74 AwbArt. 15 Wob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig besluit op Wob-verzoek met oplegging hoge dwangsom

Eiser heeft op 31 mei 2019 een verzoek om openbaarmaking van informatie ingediend bij de Dienst Terugkeer en Vertrek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken een besluit genomen. Eiser heeft verweerder op 4 juli 2019 in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2021 behandeld, waarbij noch eiser noch verweerder is verschenen. De rechtbank constateert dat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen en legt op grond van artikel 8:55d Awb op dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet besluiten.

Vanwege de gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan legt de rechtbank een extra hoge dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, die wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van griffierecht. De vergoeding voor de proceskosten wordt vastgesteld op €374.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verklaart het beroep gegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een hoge dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/3841

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [woonplaats eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Dienst Terugkeer en Vertrek, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 31 mei 2019 aan verweerder een verzoek om openbaarmaking van informatie met betrekking tot de uitzetting van eiser naar Sri Lanka op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedaan.
Op 4 juli 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn. Daarbij heeft eiser verweerder verzocht alsnog op het verzoek te beslissen.
Op 2 augustus 2019 heeft eiser beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2021 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Eiser heeft het verzoek ingediend op 31 mei 2019. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 6 van Pro de Wob. Verweerder had dus uiterlijk op 28 juni 2019 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is daarom voorbij. Eiser heeft verweerder op 4 juli 2019 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. De dwangsomregeling uit de Awb is op grond van artikel 15 van Pro de Wob niet van toepassing op Wob-verzoeken, daarom heeft eiser – terecht – geen dwangsom aan de ingebrekestelling verbonden.
3. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
4. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-. De rechtbank ziet aanleiding om een extra hoge dwangsom op te leggen, omdat er een sterke prikkel nodig is vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan. Verweerder heeft tot op heden namelijk geen enkele inhoudelijke reactie op het verzoek van eiser gegeven, heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank een verweerschrift in te dienen en is zonder bericht van verhindering niet op zitting verschenen.
5. Het beroep is gegrond.
6. De rechtbank wijst erop dat eiser wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder niet op grond van artikel 8:74 van Pro de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 748,-, bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 374,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 374,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van Ommeren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.