ECLI:NL:RBROT:2021:13010
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beslissing op wrakingsverzoek rechter-commissaris in strafzaak witwassen en oplichting
Verzoeker, verdachte in een strafzaak over witwassen, computervredebreuk, oplichting en deelname aan een criminele organisatie, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die de rechtmatigheid van zijn inverzekeringstelling had beoordeeld zonder hem vooraf vragen te stellen.
De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek voor zover gebaseerd op het niet stellen van vragen niet-ontvankelijk was, omdat deze grond pas tijdens de mondelinge behandeling werd ingebracht en niet tijdig was voorgedragen. Voor het overige werd het verzoek afgewezen omdat de enkele omstandigheid dat stukken niet aan verzoeker waren voorgehouden geen vooringenomenheid of schijn daarvan opleverde.
De rechtbank benadrukte dat de rechter-commissaris een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de behandeling van inverzekeringstellingen en dat het landelijke strafprocesreglement geen algemeen verbindend voorschrift is. Ook het handelen van de rechter-commissaris bij het handhaven van de orde werd niet als onbegrijpelijk of vooringenomen beoordeeld.
Daarmee concludeerde de rechtbank dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor vooringenomenheid en dat het wrakingsverzoek ongegrond was. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt voor het grootste deel niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.