De zaak betreft een geschil over de ontbinding van een huurovereenkomst en betaling van huurachterstand tussen Stichting Havensteder en twee contractuele huurders van een woning en parkeerplaats in Rotterdam. De huurovereenkomst werd op 6 juni 2019 gesloten met beide huurders als medehuurders.
De tweede huurder heeft op 4 december 2020 een afstandsverklaring ingediend waarin zij afstand doet van de woning en verklaart dat zij vanaf die datum niet langer huurder is. Havensteder bevestigde telefonisch de ontvangst, maar stuurde een brief naar het gehuurde adres waarin werd aangegeven dat de verklaring niet verwerkt kon worden wegens ontbrekende legitimatie. De kantonrechter oordeelde dat Havensteder onvoldoende heeft gehandeld om de afstandsverklaring te weigeren en dat de tweede huurder gerechtvaardigd mocht vertrouwen op beëindiging van haar huurovereenkomst per 4 december 2020.
De kantonrechter veroordeelde de tweede huurder tot betaling van huur tot 4 december 2020, maar niet voor de periode daarna. De eerste huurder, die niet is verschenen, werd hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de volledige huurachterstand tot en met november 2021, inclusief buitengerechtelijke kosten, en tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen. De proceskosten werden verdeeld conform de uitkomst van de procedure.