Uitspraak
1.Het procesverloop en de processtukken
2.Het verzoek en de reactie daarop
3.De beoordeling
4.De beslissing
mr. A.J.L.M. van der Wildt;
mr. G.A. Vriezen.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft wrakingsverzoeken ingediend tegen mr. Van der Wildt en mr. Vriezen, beide rechters in een civiele procedure over functiewijziging. Verzoeker betoogde dat hem onrecht is gedaan door het niet opnieuw horen van getuigen en onduidelijkheden in het proces-verbaal van de zitting van 15 oktober 2021.
De wrakingskamer oordeelde dat mr. Van der Wildt geen bemoeienis had met de beslissing en het proces-verbaal, waardoor het verzoek tegen hem feitelijk ongegrond was. Het verzoek tegen mr. Vriezen richtte zich op een procesbeslissing, namelijk de afwijzing van het opnieuw horen van getuigen, en het opmaken van het proces-verbaal.
De wrakingskamer benadrukte dat een tussenbeslissing in de procedure geen grond voor wraking kan zijn, tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Dit was niet het geval. De uitleg van mr. Vriezen was begrijpelijk en het proces-verbaal weerspiegelde de inhoud van de zitting. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Verzoekers verwijt van gebrek aan transparantie bij het opmaken van het proces-verbaal werd eveneens verworpen wegens het ontbreken van feitelijke grondslag. De wrakingskamer concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid van de rechters jegens verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van mr. Van der Wildt en mr. Vriezen is afgewezen wegens gebrek aan feitelijke grondslag en omdat een tussenbeslissing geen wrakingsgrond vormt.