De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van handel in cocaïne en/of heroïne en witwassen in de periode van maart tot september 2019.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden. De verdediging voerde aan dat de dagvaarding nietig moest worden verklaard vanwege onduidelijkheid over de aard en hoeveelheid van de verdovende middelen. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte kennis had van de drugs en het geld in een bestelbus die op zijn naam stond, noch dat hij over deze goederen kon beschikken. Ook uit afgeluisterde communicatie bleek geen betrokkenheid. De verdachte werd daarom integraal vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
Daarnaast werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en werd de borgsom van €10.000,- teruggegeven aan degene die deze had gesteld.