Aannemersbedrijf Maas voerde werkzaamheden uit aan de onderbouw van de Grote Wijnbrug te Rotterdam en ondervond lekkage in een groutmassief na het trekken van damwanden. Maas stelde de verzekeraars aansprakelijk op grond van een CAR-verzekering voor de schade.
De verzekeraars betwistten de oorzaak van de lekkage en stelden dat deze niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld. Experts van beide partijen kwamen tot de conclusie dat het niet vaststaat of de lekkage is veroorzaakt door het trekken van de damwand of door een ondeugdelijk aangebracht groutmassief.
De rechtbank overwoog dat Maas als verzekerde de bewijslast draagt dat de lekkage het gevolg is van een verzekerd voorval, namelijk het trekken van de damwand. De deskundigen konden dit niet met zekerheid vaststellen, ook niet na aanvullende rapportages en het horen van betrokkenen.
Daarom werd geconcludeerd dat geen verzekerd voorval is komen vast te staan en de vordering van Maas werd afgewezen. Maas werd veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de verzekeraars werden begroot op €5.384,00, met verdere kostenveroordeling voor na het vonnis ontstane kosten.