ECLI:NL:RBROT:2021:1322
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens handelshoeveelheid harddrugs
Verzoeker, huurder van een woning in Rotterdam, maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester om de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de vondst van een grote hoeveelheid harddrugs. Hij stelde dat de drugs bestemd waren voor eigen gebruik tijdens een verjaardagsfeestje dat niet doorging en dat een waarschuwing volstond.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aangetroffen hoeveelheid drugs (ruim 1.300 gram lean, 76 XTC-pillen en 18,9 gram methamfetamine) een handelshoeveelheid betreft die de toegestane gebruikershoeveelheid ruim overschrijdt. Dit rechtvaardigt de bevoegdheid tot sluiting van de woning, ook bij een eerste constatering. De stellingen van verzoeker over eigen gebruik en het ontbreken van overlast werden onvoldoende aannemelijk geacht.
Verder werd beoordeeld of de sluiting noodzakelijk en evenredig was. Gezien de ernst van de overtreding, de aanwezigheid van weegschalen en gripzakjes, en de locatie in een wijk met een ondergemiddeld veiligheidsniveau, was sluiting gerechtvaardigd. Medische omstandigheden en het mogelijke verlies van de woning werden meegewogen, maar boden geen grond om af te zien van sluiting.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar naar verwachting ongegrond zal zijn en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen.