De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de officier van justitie tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. Betrokkene verzette zich tegen bijstand door de toegevoegde advocaat vanwege haar afkomst en eiste een advocaat van Marokkaanse afkomst, wat door de rechtbank werd afgewezen als onredelijke beperking van de vrije advocatenkeuze.
Uit de medische verklaring en het procesverloop bleek dat betrokkene een psychotische terugval had, met agressief gedrag dat leidde tot een crisisopname. De rechtbank achtte de voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden, waaronder medicatie, bewegingsbeperking, insluiting en toezicht.
De rechtbank concludeerde dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig en effectief is en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor een periode van drie weken, met een geldigheidsduur tot 18 november 2021.