De veroordeelde, geboren in 2002, was veroordeeld tot een werkstraf van 200 uur met een vervangende jeugddetentie van 100 dagen voor het niet uitvoeren van de werkstraf. Later kreeg hij een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd vanwege een nieuwe veroordeling. De officier van justitie zette de werkstraf om in vervangende jeugddetentie omdat de werkstraf door de PIJ-maatregel niet uitvoerbaar zou zijn.
De veroordeelde diende een bezwaarschrift in tegen deze omzetting, stellende dat de werkstraf nog steeds uitvoerbaar is na afloop van de PIJ-maatregel, die maximaal drie jaar duurt. De rechtbank oordeelde dat de werkstraf niet onuitvoerbaar is omdat de termijn voor uitvoering wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde zijn vrijheid ontzegd is.
De rechtbank behandelde het bezwaar met gesloten deuren vanwege de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige veroordeelde. De rechtbank concludeerde dat het uitzitten van vervangende jeugddetentie de behandeling in het kader van de PIJ-maatregel zou onderbreken, wat niet in het belang is van de veroordeelde of de maatschappij.
De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift gegrond, stelde het aantal te verrichten uren op 200 en de termijn op 18 maanden na afloop van de PIJ-maatregel. Het bevel tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie werd vervallen verklaard.