De ouders van gedaagde waren eigenaar van een woning met erf en grond. Gedaagde verkreeg uiteindelijk de volledige eigendom. Eiser kocht in 2003 de woning, inclusief de tuin, maar een strook grond met erfpachtrecht bleek niet te zijn overgedragen en stond op naam van het waterschap met erfpachtrecht van wijlen de vader van gedaagde.
Eiser nam de strook grond in bezit en gebruikte deze als tuin. Na een makelaar erop wees dat het erfpachtrecht niet op naam van eiser stond, vorderde eiser in kort geding overdracht van het erfpachtrecht door gedaagde, al dan niet op basis van verkrijgende verjaring.
De voorzieningenrechter oordeelde dat partijen ten tijde van de koop over en weer hadden gedwaald en dat eiser de strook grond te goeder trouw in bezit had genomen en deze reeds meer dan tien jaar bezat. Gedaagde kon het tegendeel niet aannemelijk maken. Daarom is het aannemelijk dat eiser in de bodemprocedure eigenaar wordt van het erfpachtrecht door verkrijgende verjaring.
De primaire vordering tot overdracht wordt toegewezen, met een dwangsom bij niet-naleving. De subsidiaire vordering behoeft geen bespreking. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.