Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- het verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 28 april 2021;
- de aantekening dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 december 2021;
- de overgelegde producties.
Rechtbank Rotterdam
Op 24 december 2018 is de erflater overleden. De minderjarige erfgenaam, geboren uit een affectieve relatie met verzoekster, is na vaststelling van het ouderschap enig erfgenaam geworden. Verzoekster verzocht op 28 april 2021, ruim vijftien maanden na de vaststelling van het ouderschap, om toestemming om namens de minderjarige de nalatenschap te verwerpen omdat deze vermoedelijk negatief is.
De kantonrechter oordeelde dat de wettelijke termijn van drie maanden voor het afleggen van een verklaring van verwerping of beneficiaire aanvaarding was verstreken en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De omstandigheid dat verzoekster door haar vorige advocaat niet op de termijn was geattendeerd, kwam voor haar risico.
Daarom werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De nalatenschap geldt als beneficiair aanvaard door de minderjarige, en verzoekster is als wettelijk vertegenwoordiger tevens vereffenaar van de nalatenschap. Het subsidiaire verzoek tot benoeming van een professionele vereffenaar wordt in een aparte procedure behandeld.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding; nalatenschap geldt als beneficiair aanvaard.