Uitspraak
- het verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 28 april 2021;
- de aantekening dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 december 2021;
- de overgelegde producties.
Rechtbank Rotterdam
Op 24 december 2018 is de erflater overleden. Uit de verklaring van erfrecht blijkt dat erflater geen uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt en dat de broer van erflater de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. Uit een affectieve relatie is in 2005 een minderjarige geboren, die na vaststelling van het ouderschap enig erfgenaam is geworden.
De wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige verzocht de rechtbank om een professionele vereffenaar te benoemen, omdat zij zichzelf niet voldoende uitgerust en gekwalificeerd acht om de nalatenschap namens de minderjarige af te wikkelen. De nalatenschap omvat onder meer een woning met een hypotheek en mogelijk een negatief saldo. Conservatoir beslag is gelegd op de woning en bankrekeningen.
De tegenpartij betwist de verwijten en stelt te goeder trouw te hebben gehandeld, maar heeft de goederen inmiddels aan de verzoekster overgedragen. De rechtbank oordeelt dat er voldoende belang is bij de benoeming van een professionele vereffenaar en wijst het verzoek toe. Mr. R.B. van der Horst wordt benoemd tot vereffenaar en de benoeming zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant. De kosten van de vereffening zijn preferent en kunnen uit een positief saldo worden voldaan.
Uitkomst: De rechtbank benoemt een professionele vereffenaar voor de nalatenschap van de minderjarige erfgenaam.