De zaak betreft een geschil tussen [Namen] en De Nederlandsche Bank (DNB) over een door DNB gegeven aanwijzing die [Namen] dwingt tot het verlagen van hun aandelenbelang in [Naam] tot minder dan 10%. DNB baseert deze aanwijzing op een negatief betrouwbaarheidsoordeel na een uitgebreide hertoetsingsprocedure. [Namen] hebben bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen deze besluiten en verzoeken om een voorlopige voorziening om de begunstigingstermijn te verlengen.
De voorzieningenrechter overweegt dat het fundamentele eigendomsrecht van [Namen] wordt aangetast door de aanwijzing, maar dat de rechtmatigheid van de besluiten in de bodemprocedure moet worden beoordeeld. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van [Namen] bij verlenging van de begunstigingstermijn zwaarder weegt dan het belang van DNB bij afwijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter acht het onwaarschijnlijk dat een gedwongen aandelenoverdracht onder redelijke voorwaarden vóór de bodemuitspraak kan plaatsvinden en dat eventuele schade moeilijk op DNB te verhalen is vanwege haar wettelijke aansprakelijkheidsbeperking.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, verlengt de begunstigingstermijn tot de uitspraak in de bodemprocedure, en veroordeelt DNB in de proceskosten en het griffierecht van [Namen]. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.