Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- het vonnis in incident van 21 augustus 2019, waarin Trompenburg is toegestaan om tussen te komen in deze procedure, alsmede de daarin vermelde processtukken;
- de conclusie van eis in tussenkomst van Trompenburg, met producties;
- de conclusie van antwoord in tussenkomst van de curator, met producties;
- de conclusie van repliek tevens houdende vermindering van eis van de curator;
- de conclusie van repliek in tussenkomst van Trompenburg;
- de conclusie van dupliek in tussenkomst van de curator, met productie;
- de conclusie van dupliek van ZCN.
2..De feiten
ten blijke van instemming met hetgeen in deze overeenkomst is bepaald’. De Leaseovereenkomst is ook als bijlage bij de Overeenkomst gevoegd.
Artikel 7. Facturering en betaling
6. ZCN is te allen tijde gerechtigd eventuele vorderingen die zij op [TCE, rechtbank] heeft met de vergoeding te verrekenen.
(…)
Artikel 2. Tarieven en te leveren diensten
€ 285.000,=(…).
(…)
d. [TCE] verleent [Trompenburg] hierbij volmacht om al hetgeen door [TCE] verschuldigd is uit hoofde van de onderhavige overeenkomst (automatisch) te incasseren ten laste van bank-/ girorekening met rekeningnummer (…).
(…)
€ 65.280,=(zijnde 5 x € 13.056,=). Dit bedrag zal ineens door [TCE] moeten worden betaald aan [Trompenburg] en zal geschieden via de verleende automatische incasso, zoals bedoeld in lid 4 sub d van dit artikel. (…).
-/- € 30.791,37 met betrekking tot de maanden november en december 2015. In die factuur heeft ZCN de aan TCE toekomende rittenvergoeding verminderd met zowel de verschuldigde maandelijkse leasetermijnen van de vijf voertuigen als het in artikel 2 lid 9 van Pro de Leaseovereenkomst vermelde restbedrag van € 65.280,00 (€ 78.988,80 inclusief btw), waardoor de creditfactuur het hiervoor genoemde negatief bedrag vermeldde.
-/- € 30.791,37 en aanspraak gemaakt op betaling van € 8.264,53, zijnde het restantbedrag na de voormelde verrekening.
3..De vorderingen
4..De beoordeling
a) en b) betaling vergoeding voor de uitgevoerde ritten periode oktober-december 2015
na de laatste termijn(bij 36 maanden) een
restbedrag(onderstrepingen rechtbank) aan Trompenburg is verschuldigd van € 65.280,00 en dat dit bedrag (door middel van de verleende automatische incasso) moet worden betaald. De rechtbank constateert dat in de leden 5 en (in het bijzonder) 9 van artikel 2 van Pro de Leaseovereenkomst, gelet op het gebruik van de woorden ‘verschuldigde termijnen’ respectievelijk ‘restbedrag’, een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de periodieke leasetermijnen enerzijds en het restbedrag van de voertuigen anderzijds. Dit acht de rechtbank een belangrijk gezichtspunt voor de conclusie dat het restbedrag van de voertuigen niet onder het bereik van de verrekeningsafspraak van artikel 2 lid 5 valt Pro, maar dat TCE en Trompenburg daarvoor in artikel 2 lid 9 van Pro de Leaseovereenkomst een andere betaalwijze zijn overeengekomen. De stelling van ZCN dat het restbedrag te beschouwen is als een laatste termijn die op enig moment in een maand verschuldigd is en daarmee onder het bereik van de in artikel 2 lid 5 vervatte Pro verrekeningsafspraak valt, faalt naar het oordeel van de rechtbank. De tekst van de Leaseovereenkomst bevat daarvoor geen aanknopingspunten. ZCN heeft onvoldoende andere feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van de door haar aan de in de Leaseovereenkomst vervatte verrekeningsafspraak gegeven uitleg. De rechtbank concludeert dat het restbedrag niet onder het bereik van artikel 2 lid 5 van Pro de Leaseovereenkomst valt en de verrekeningsbevoegdheid van Trompenburg niet mede betrekking heeft op het restbedrag.
3.540,00 (2,0punten × tarief € 1.770)