Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:13749

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 november 2021
Publicatiedatum
31 augustus 2023
Zaaknummer
ROT 20/1123 e.a.
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12u InstellingswetArt. 12v InstellingswetArt. 10 Wet openbaarheid van bestuurArt. 7:15 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit ACM inzake publicatie lastoplegging en schorsing publicatieplicht

De rechtbank Rotterdam heeft op 18 november 2021 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken tussen American Express Europe S.A. (Amex), Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (KLM) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De zaak betrof het bestreden besluit van de ACM tot openbaarmaking van een geschoonde versie van een lastoplegging aan Amex, die een vergoeding aan KLM beperkt tot 0,3% per transactie.

De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak waarbij het besluit van 22 januari 2020 werd vernietigd en constateerde dat het bestreden besluit, voor zover het de publicatie van dat besluit betreft, geen stand kan houden. Omdat de ACM het besluit van 6 maart 2019 had geschorst tot zes weken na een nieuwe beslissing op bezwaar, bepaalde de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening dat ACM niet mag overgaan tot publicatie van het publicatiebesluit of een nieuwe beslissing tot zes weken na bekendmaking van die nieuwe beslissing.

De rechtbank oordeelde verder dat geen afzonderlijk griffierecht verschuldigd is en sprak geen proceskostenveroordeling uit, aangezien dit reeds in een eerdere uitspraak was gedaan. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn geïnformeerd over het recht op hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de ACM en legt een publicatieverbod op tot zes weken na een nieuwe beslissing op bezwaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 20/1123, ROT 20/1124, ROT 20/1137 en ROT 20/1138

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 november 2021 in de zaken tussen

American Express Europe S.A., te Madrid (Spanje),

American Express Carte France S.A., te Rueil Malmaison (Frankrijk), eiseressen,
(hierna tezamen: Amex),
gemachtigden: mr. M. Hiemstra en mr. S.M.C. Nuijten,

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (KLM), te Amstelveen, eiseres,

gemachtigden: mr. R.P. Raas, mr. J.R. van Angeren en mr. S. Ramsanjhal,
en

de Autoriteit Consument en Markt (de ACM), verweerster,

mr. R. Rodenrijs en mr. C. Vermeulen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2019 heeft de ACM aan Amex een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekt dat Amex aan KLM in het kader van haar bestaande en toekomstige co-brandingsamenwerking een vergoeding mag betalen die per transactie niet meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde als bedoeld in artikel 4 in Pro verbinding met artikel 5 van Pro Verordening (EU) 2015/751.
Bij besluit van 12 april 2019 (het publicatiebesluit) heeft de ACM besloten tot openbaarmaking van een geschoonde versie van het besluit van 6 maart 2019.
Bij uitspraak van 24 juli 2019 (zaaknummers: ROT 19/2091, ROT 19/2092, ROT 19/2093 en ROT 19/2094) heeft de voorzieningenrechter onder meer het publicatiebesluit geschorst.
Bij besluit van 22 januari 2020 heeft de ACM onder aanvulling van gronden de last in bezwaar gehandhaafd.
Bij besluit van 18 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft de ACM in bezwaar besloten tot openbaarmaking van een verdergaand geschoonde versie van het besluit van 6 maart 2019 en heeft de ACM tevens besloten tot publicatie van een geschoonde versie van het besluit van 22 januari 2020. De ACM heeft de feitelijke openbaarmaking uitgesteld.
Amex en KLM hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft – achter gesloten deuren – plaatsgevonden op 5 juli 2021. Ter zitting zijn verschenen: namens Amex mr. M. Hiemstra en mr. S.M.C. Nuijten, namens KLM mr. R.P. Raas, mr. J.R. van Angeren en mr. S. Ramsanjhal, namens ACM
mr. R. Rodenrijs, mr. C. Vermeulen en mr. J. Geerts. Via videoverbinding hebben deelgenomen: namens Amex [namen], namens KLM [namen]. Voorts hebben tolken voor partijen ingelogd.

Overwegingen

1. Gelet op de artikelen 12u en 12v van de Instellingswet is de ACM gehouden de besluiten van 6 maart 2019 en 22 januari 2020 met gedeeltelijke inachtneming van artikel 10 van Pro de Wet openbaarheid van bestuur openbaar te maken, tenzij openbaarmaking naar het oordeel van de ACM in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het aan haar opgedragen toezicht op de naleving. Indien sprake is van een verplichting tot openbaarmaking van een sanctiebesluit – zoals hier het geval is – zal die verplichting slechts komen te vervallen indien het sanctiebesluit – in essentie – onrechtmatig wordt bevonden (vgl. ECLI:NL:CBB:2015:6 en ECLI:NL:CBB:2018:7).
2. Gelet op de uitspraak van heden (zaken ROT 20/1122 en ROT 20/1136), waarbij de rechtbank het besluit van 22 januari 2020 heeft vernietigd, doet zich een dergelijke situatie voor. Het bestreden besluit, voor zover het ziet op de publicatie van het besluit van
22 januari 2020 kan daarom geen stand houden. Omdat bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het publicatiebesluit gegrond is verklaard en daarbij is voorzien in een verdergaand geschoonde publicatie van het besluit van 6 maart 2019 houdt de rechtbank het ervoor dat de ACM het publicatiebesluit daarbij heeft herroepen. De rechtbank zal die herroeping hierna teniet doen, omdat eerst met de integrale vernietiging van het bestreden besluit voor de ACM de verplichting voor komt te liggen zowel het publicatiebesluit te heroverwegen als een nieuwe beslissing te nemen over de publicatie van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar inzake de lastoplegging. Omdat de rechtbank in de genoemde uitspraak van heden het besluit van 6 maart 2019 heeft geschorst tot zes weken nadat de ACM opnieuw op de bezwaren van Amex en KLM heeft beslist, ziet de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening in de hoofdzaak aanleiding te bepalen dat de ACM in deze kwestie niet mag overgaan tot publicatie van het publicatiebesluit of van de nieuw te nemen beslissing inzake de lastoplegging tot zes weken na de dag van bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.
3. Vanwege samenhang met de zaken die zien op de lastoplegging is geen afzonderlijk griffierecht verschuldigd in deze zaken, zodat geen aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 8:74 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om in deze zaken een afzonderlijke proceskostenveroordeling uit te spreken nu dit reeds is gebeurd in de genoemde uitspraak van heden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ACM bij het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de ACM in deze zaak niet tot enige publicatie over mag gaan tot zes weken nadat zij opnieuw heeft beslist over de openbaarmaking.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzitter, en mr. E. Lunenberg en
mr. C.J. Wolswinkel, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 november 2021.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.