De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting op of omstreeks 24 december 2019 te Papendrecht. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van drie jaar en een maatregel van artikel 38v Sr. De tenlastelegging betrof het met geweld en/of bedreiging dwingen van het slachtoffer tot seksuele handelingen.
Tijdens de terechtzitting op 10 februari 2021 werd het bewijs beoordeeld. De officier van justitie baseerde zich vooral op de verklaring van het slachtoffer, het vastgestelde letsel en de indruk die het slachtoffer maakte op haar dochter en de politie. De verdachte gaf tegenstrijdige verklaringen en ontkende initiatief tot seks, wat werd weersproken door tekstberichten.
De rechtbank constateerde echter ook ongerijmdheden en inconsistenties in de verklaringen van het slachtoffer, zoals de wijze waarop de verdachte haar zou hebben vastgehouden en het ontbreken van letsel dat de verklaring van geweld ondersteunde. Ook ontbraken sporen van worsteling in de slaapkamer en hoorde de dochter geen worsteling, wat twijfel opriep over het element dwang.
Gezien deze redelijke twijfel sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd ingetrokken omdat deze reeds was voldaan. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.