De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van handel in harddrugs, voorbereidingshandelingen en het voorhanden hebben van harddrugs. De tenlastelegging betrof onder meer het verzenden van harddrugs via post naar diverse landen en het beheren van bitcoinbetalingen.
Tijdens de terechtzittingen en het onderzoek werd vastgesteld dat belangrijke bewijsmiddelen, zoals inbeslaggenomen goederen, gegevensdragers en getapte telefoongesprekken, uitsluitend wezen naar medeverdachten en niet naar verdachte zelf. De verklaring van verdachte dat hij alleen handelde en de drugslijn runde, werd door de rechtbank niet gevolgd vanwege gebrek aan geloofwaardigheid en tegenstrijdigheden.
De medeverdachten bevestigden hun beperkte rol, maar dit werd door de rechtbank als belanghebbende verklaringen gezien. De officier van justitie had een gevangenisstraf van 18 maanden geëist, maar de rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 24 februari 2021. De vrijspraak betreft medeplegen van handel in harddrugs, voorbereidingshandelingen en het voorhanden hebben van harddrugs.