De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen jegens een minderjarige aangeefster. De feiten betroffen handelingen die plaatsvonden toen de aangeefster jonger was dan twaalf en tussen twaalf en zestien jaar. De officier van justitie vorderde een taakstraf, maar de verdediging voerde aan dat sprake was van experimenteergedrag tussen kinderen van vergelijkbare leeftijd zonder sprake van dwang of seksuele intentie.
De rechtbank oordeelde dat de handelingen, hoewel feitelijk plaatsvonden, niet die seksuele betekenis hadden die volwassenen daaraan toekennen. De gedragingen waren onderdeel van een spel tussen neef en nicht en vonden plaats in een pre-puberale fase. Er was geen bewijs van dwang of onvrijwilligheid. Ook was onvoldoende bewijs dat handelingen na de twaalfde verjaardag van het slachtoffer hadden plaatsgevonden.
Op grond hiervan sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De vervolging werd ontvankelijk verklaard, maar het bewijs was onvoldoende om tot een veroordeling te komen. De uitspraak benadrukt het belang van de subjectieve beleving en leeftijdsadequaat ontwikkelingsniveau bij beoordeling van seksuele handelingen tussen jeugdigen.