De zaak betreft het verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2011 en 2018, die sinds maart 2020 uit huis zijn geplaatst vanwege een onveilige thuissituatie. De kinderen verblijven momenteel in een perspectiefbiedend pleeggezin waar zij rust en stabiliteit ervaren.
De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en werkt aan haar persoonlijke problematiek, maar er is sprake van een belast verleden en langdurige hulpverlening. Bij de kinderen is hechtingsproblematiek vastgesteld en er staat een onderzoek gepland bij het kennis- en servicecentrum voor diagnostiek (KSCD) om te bepalen of terugplaatsing mogelijk is. Vanwege wachtlijsten is het onderzoek nog niet gestart.
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek en erkent de noodzaak van het onderzoek, maar uit kritiek op de GI vanwege het late aanvragen van het KSCD-onderzoek en het beperkte contact met de kinderen. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en benadrukt dat de GI actief alternatieve hulpverlening moet zoeken en de omgang waar mogelijk moet uitbreiden.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 26 mei 2021, de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is mondeling gegeven op 18 februari 2021 en schriftelijk vastgesteld op 2 maart 2021.