Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[handelsnaam],
1..Procedure
2..Rechtsoverwegingen
980,00
Rechtbank Rotterdam
In deze kortgedingprocedure heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de eiser afgewezen, waaronder de gevraagde rectificatie. De rechter oordeelde dat de rectificatie niet wordt toegestaan omdat de gedaagde niet tijdig bekend was met haar processuele wederpartij. Tevens heeft de rechter overwogen dat de advocaat van de eiser op grond van artikel 245 Rv Pro in de kosten kan worden veroordeeld, waarbij de eiser in de gelegenheid is gesteld zich hierover uit te laten.
De eiser heeft betoogd dat de rechter ten onrechte niet tot rectificatie is overgegaan en dat een derde, de opdrachtgever, in de proceskosten dient te worden veroordeeld. De voorzieningenrechter handhaaft het eerdere oordeel over de rectificatie en wijst de vordering af. Wel veroordeelt hij de opdrachtgever in de proceskosten, aangezien artikel 245 Rv Pro uitgaat van een draagplicht bij de opdrachtgever.
De proceskosten aan de zijde van de gedaagde worden begroot op een totaal van €1.284,00, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2021 door mr. A.F.L. Geerdes.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen en de opdrachtgever wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.284,00.