Eiser is eigenaar van een woning die door gedaagden sinds 1 augustus 2018 werd gehuurd. De huurovereenkomst bevatte het ROZ-model algemene huurvoorwaarden, waaronder een boetebeding van €25 per dag bij niet-nakoming van verplichtingen. De huurovereenkomst werd per 10 mei 2020 beëindigd. Eiser vorderde betaling van huurachterstand, schadevergoeding, een boete op grond van het boetebeding en incassokosten.
Gedaagden betwistten slechts de boete en een deel van de schadevergoeding. De kantonrechter stelde vast dat de huurachterstand, schoonmaak- en opruimkosten, afvalkosten en energievoorschot onbetwist waren en toewijsbaar. Van de schadeposten werden enkele verminderd na bespreking, maar het bankje op het balkon werd toegewezen omdat gedaagden dit niet konden weerleggen.
De kantonrechter beoordeelde het boetebeding aan de hand van de Richtlijn oneerlijke bedingen en oordeelde dat het boetebeding onredelijk bezwarend is omdat het onbeperkt en zonder limitering een boete oplegt die buiten proportie kan oplopen. Daarom werd de gevorderde boete afgewezen. Na verrekening van de waarborgsom werd gedaagden veroordeeld tot betaling van €1.336,83 plus wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van €242,63. Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.