Het CIZ verzocht de rechtbank Rotterdam om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van cliënt op grond van artikel 26 vanPro de Wet zorg en dwang (Wzd). Het verzoek werd ingediend met onder meer een medische verklaring die stelde dat vermoedelijk sprake was van vasculaire dementie en cognitieve beschadiging na een CVA.
Tijdens de mondelinge behandeling, die telefonisch plaatsvond vanwege COVID-19, werd duidelijk dat er onduidelijkheid bestond over de diagnose. De advocaat van cliënt gaf aan dat de casemanager dementie feitelijk een geriatrisch verpleegkundige was en dat volgens haar sprake was van hersenbeschadiging na een CVA, maar niet van dementie. De huisarts bevestigde een cognitieve stoornis met probleemgedrag, maar liet open of dementie aanwezig was.
De rechtbank kon op basis van deze tegenstrijdige en onduidelijke informatie niet vaststellen dat cliënt een psychogeriatrische aandoening had in de zin van de Wzd. Gezien de overbelasting van de echtgenote werd geadviseerd cliënt zo snel mogelijk nader te laten onderzoeken om een juiste diagnose te stellen. Het verzoek tot machtiging werd daarom afgewezen.
Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname wordt afgewezen wegens onvoldoende vaststelling van een psychogeriatrische aandoening.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/610690 / FA RK 20-10241
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 13 januari 2021 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 26 vanPro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënt],
geboren op [geboortedatum cliënt] te [geboorteplaats cliënt] ,
hierna: cliënt,
wonende en verblijvende aan de [adres cliënt] , [postcode cliënt] te [woonplaats cliënt] ,
advocaat mr. D.H. van Tongerlo te Rotterdam.
1..Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 30 december 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 19 november 2018;
de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam specialist ouderengeneeskunde] , specialist ouderengeneeskunde, van 28 december 2020;
de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 24 november 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021.
Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 TijdelijkePro wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen telefonisch gehoord, omdat het houden van een fysieke zitting vanwege het coronavirus niet mogelijk was:
cliënt met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[naam wijkverpleegkundige] , wijkverpleegkundige, verbonden aan Careyn;
[naam echtgenote cliënt] , echtgenote van cliënt.
2..Beoordeling
2.1.
In de medische verklaring staat dat er vermoedelijk sprake is van vasculaire dementie en een forse cognitieve beschadiging ten gevolge van een CVA. De advocaat van cliënt heeft onderzoek gedaan naar de afkomst van de informatie in de medische verklaring. Hij verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat hij vóór de zitting contact heeft gehad met de in de medische verklaring genoemde mevrouw [naam geriatrisch verpleegkundige] en de huisarts van cliënt. In de medische verklaring staat dat mevrouw [naam geriatrisch verpleegkundige] casemanager dementie is, zij is echter geriatrisch verpleegkundige. Volgens mevrouw [naam geriatrisch verpleegkundige] is er bij betrokkene sprake van een hersenbeschadiging na een CVA, dementie is niet het probleem. De huisarts van cliënt heeft aangegeven dat er sprake is van een cognitieve stoornis met probleemgedrag. Hij laat in het midden of er sprake is van dementie. Onduidelijk is aldus waar “het stempel” vasculaire dementie vandaan komt.
2.2.
De rechtbank kan op basis van deze informatie niet vaststellen of er sprake is van een psychogeriatrische aandoening in de zin van de wet. Cliënt dient daarom, en omdat wel sprake is van een overbelasting van de echtgenote in de thuissituatie, zo snel mogelijk onderzocht te worden, zodat er een goede diagnose gesteld kan worden, op basis waarvan de juiste en aangewezen vervolgstap kan worden bepaald.
2.3.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.
3..Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 13 januari 2021 mondeling gegeven door mr. M.C. van der Kolk, rechter, in tegenwoordigheid van H.J. de Wit, griffier, en op 18 januari 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.