ECLI:NL:RBROT:2021:2002

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2021
Publicatiedatum
10 maart 2021
Zaaknummer
8371391 CV EXPL 20-7587
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing huurachterstand en voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst woonruimte

In deze zaak vordert Rembrandt Propco III betaling van een huurachterstand door [gedaagde], handelend als bewindvoerder over de goederen van [naam 1]. Partijen zijn het eens over een achterstand van €6.983,63 tot en met januari 2021. De kantonrechter wijst deze vordering toe, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, wat leidt tot een totaal van €7.683,45.

Hoewel de huurachterstand rechtvaardigt dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en ontruiming wordt bevolen, is een betalingsregeling van €75 per maand overeengekomen en wordt deze door Rembrandt Propco III geaccepteerd. De ontbinding en ontruiming worden daarom voorwaardelijk toegewezen, enkel bij niet-nakoming van deze regeling.

De huurprijs is per juli 2020 gewijzigd naar €736,96, welk bedrag vanaf februari 2021 maandelijks moet worden voldaan tot ontruiming. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tevens tot betaling van proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De reconventionele vordering is niet meer aan de orde.

Deze uitspraak bevestigt de rechtspositie van de verhuurder bij huurachterstand, terwijl het de huurder de mogelijkheid biedt om via een betalingsregeling aan zijn verplichtingen te voldoen en zo ontbinding en ontruiming te voorkomen.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van €7.683,45 en een betalingsregeling van €75 per maand, met voorwaardelijke ontbinding en ontruiming bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8371391 CV EXPL 20-7587
uitspraak: 26 februari 2021
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Rembrandt Propco III B.V.,
gevestigd te Halfweg,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 28 februari 2020,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: Van Houwelingen & Partners gerechtsdeurwaarders incasso te Vlaardingen,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[naam 1] (hierna: [naam 1] ),
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. I.P. Biemond te Krimpen aan den IJssel.
Partijen worden hierna aangeduid als “Rembrandt Propco III” respectievelijk “ [gedaagde] ” en “ [naam 1] ”.

1..Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 4 december 2020. Ter uitvoering van dat vonnis heeft op 27 januari 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Rembrandt Propco III heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van der Heijden en [naam 2] . [gedaagde] is verschenen bij [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde. [naam 1] is eveneens ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.2.
Ter voorbereiding van de mondelinge behandeling heeft Rembrandt Propco III een overzicht van de huurachterstand tot en met de maand januari 2021 in het geding gebracht. [gedaagde] heeft van haar kant een overzicht van de door of namens [naam 1] betaalde bedragen overgelegd.
1.3.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2..De beoordeling

in conventie
2.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de actuele huurachterstand, berekend tot en met de maand januari 2021, € 6.983,63 bedraagt. De vordering tot betaling van dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
2.2.
De hoogte van die huurachterstand rechtvaardigt in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] heeft echter een betalingsregeling voorgesteld van € 75,00 per maand. Rembrandt Propco III heeft die betalingsregeling al eerder aanvaard en deze wordt ook nagekomen sinds april 2020 door [naam 1] . Rembrandt Propco III heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft wanneer die regeling in het vonnis wordt opgenomen. De kantonrechter zal de betalingsregeling derhalve op de hierna te noemen wijze in dit vonnis vastleggen, waarbij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde voorwaardelijk zullen worden toegewezen, uitsluitend en alleen voor het geval [gedaagde] met de stipte betaling van de maandelijkse termijnen in gebreke blijft.
2.3.
Rembrandt Propco III heeft betaling van € 721,07 per maand gevorderd, voor iedere maand dat [gedaagde] in gebreke blijft met ontruiming van de woning. De kantonrechter leidt uit de actuele specificatie van Rembrandt Propco III echter af dat de huurprijs per juli 2020 is gewijzigd in € 736,96 per maand. [naam 1] c.q. [gedaagde] betaalt dat bedrag ook sedert december 2020, terwijl anderzijds het verschil tussen beide huurbedragen ook begrepen is in de hiervoor genoemde huurachterstand van € 6.983,63, welke achterstand door [gedaagde] ter zitting is erkend. Derhalve zal de kantonrechter de vordering van Rembrandt Propco III met betrekking tot de toekomstige huurtermijnen op de hierna te noemen wijze toewijzen.
2.4.
De gevorderde tot 20 februari 2020 verschenen wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro van € 39,51 alsmede de wettelijke rente vanaf 20 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.
2.5.
Rembrandt Propco III maakt verder aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In de door Rembrandt Propco III aan [naam 1] verzonden aanmaning van 15 juli 2019 (productie 3 bij de dagvaarding), die overigens voldoet aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eisen, wordt het gevorderde bedrag van € 660,31 aan buitengerechtelijke incassokosten genoemd. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden toegewezen tot dit bedrag.
2.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] aan Rembrandt Propco III dient te betalen een bedrag van in totaal € 7.683,45 (te weten € 6.983,63 aan hoofdsom, € 39,51 aan verschenen wettelijke rente en € 660,31 aan buitengerechtelijke incassokosten).
2.7.
[gedaagde] heeft verzocht het onderhavige vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat - zoals zij dat stelt -
“niet alleen juridisch, maar ook feitelijk hoger beroep mogelijk blijft”.Op grond van artikel 233 Rv Pro is uitgangspunt dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit. Gesteld noch gebleken is dat dat die uitzondering zich in dit geval voordoet en nu tevens vaststaat dat de huurachterstand door [gedaagde] is erkend en partijen bovendien overeenstemming bereikt hebben over een afbetalingsregeling, valt niet in te zien welk belang [gedaagde] heeft bij het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van dit vonnis, zodat de kantonrechter het verweer op dit punt zal passeren.
in reconventie
2.8.
[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat niet langer een verklaring voor recht wordt gevorderd, dat de overeengekomen huurprijs uit de huurovereenkomst niet mag worden geïndexeerd of anderszins eenzijdig mag worden aangepast. Derhalve hoeft op de reconventionele vordering niet meer beslist te worden.
in conventie en in reconventie
2.9.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in conventie, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rembrandt Propco III worden vastgesteld op € 604,09 aan verschotten (€ 105,09 aan dagvaardingskosten en €499,00 aan griffierecht) en € 933,00 aan salaris voor de gemachtigde (3 punten à € 311,00 per punt). [gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, ook veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie, met dien verstande dat de kantonrechter de proceskosten aan de zijde van Rembrandt Propco III zal begroten op nihil, nu de tegenvordering van [gedaagde] is voortgevloeid uit haar verweer in conventie en er in reconventie nauwelijks debat heeft plaatsgehad.

3..De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan Rembrandt Propco III te betalen € 7.683,45 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand januari 2021, vervallen rente en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over het saldo dat vanaf 20 februari 2020 aan huurachterstand, exclusief rente en kosten, telkens na elke credit- en debetmutatie heeft uitgestaan tot aan de dag van algehele voldoening;
staat [gedaagde] toe om het totaal aan Rembrandt Propco III verschuldigde bedrag, inclusief rente en kosten als voormeld naast de lopende huur vanaf 1 februari 2021, aan Rembrandt Propco III te voldoen in maandelijkse termijnen van € 75,00 telkens uiterlijk op de eerste dag van iedere maand;
en bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde] deze betalingsverplichtingen niet behoorlijk nakomt:
bepaalt dat het ingevolge dit vonnis nog verschuldigde bedrag geheel ineens opeisbaar is;
ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen met ingang van de dag nadat [gedaagde] ten aanzien van de nakoming van vorenbedoelde betalingsverplichtingen in verzuim is en veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [naam 1] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Rembrandt Propco III te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om aan Rembrandt Propco III te betalen € 736,96 met ingang van de maand februari 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;
in conventie en reconventie
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rembrandt Propco III vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 933,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
44478