Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[naam firma] ,
Rechtbank Rotterdam
De werknemer trad op 22 juli 2019 in dienst bij de werkgever op basis van een uitzendovereenkomst met een uitzendbeding. Op 9 juli 2020 meldde hij zich ziek. De inlener gaf op 15 juli 2020 te kennen de opdracht te beëindigen, waarna de werkgever de uitzendovereenkomst van rechtswege beëindigde.
De werknemer verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst en doorbetaling van salaris, stellende dat het uitzendbeding niet rechtsgeldig kon worden ingeroepen tijdens ziekte, verwijzend naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De werkgever betwistte dit en stelde dat de opdracht al voor de ziekmelding was beëindigd.
De kantonrechter oordeelde dat het uitzendbeding rechtsgeldig is overeengekomen en dat de beëindiging van de opdracht door de inlener de uitzendovereenkomst van rechtswege beëindigt, ook tijdens ziekte. Het beroep op het arrest van het Gerechtshof Den Haag was niet van toepassing omdat dat betrekking had op een andere cao.
Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst werd afgewezen. Wel werd de werkgever veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding en achterstallig salaris inclusief wettelijke verhoging en rente. Vergoeding van de huur van een vakantiewoning werd afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De uitzendovereenkomst is rechtsgeldig geëindigd door beëindiging van de opdracht door de inlener, herstelverzoek wordt afgewezen, maar transitievergoeding en achterstallig salaris worden toegewezen.