ECLI:NL:RBROT:2021:2168
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen faillissementsuitspraak ongegrond verklaard wegens bestaan opeisbare vordering
Verzoeker heeft verzet aangetekend tegen het vonnis van faillissement dat op zijn verzoek is uitgesproken op grond van een vordering van het pensioenfonds. Hij betwist de hoogte van de vordering en stelt niet te hebben opgehouden met betalen, maar erkent het bestaan van een vordering niet.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker tijdig en correct is opgeroepen voor de zitting en dat hij niet is verschenen. Verweerster heeft voldoende bewijs geleverd dat er een opeisbare vordering bestaat, onder meer door een onherroepelijk dwangbevel en een vonnis uit 2012. Verzoeker heeft erkend dat hij werknemers in dienst had waarvoor geen pensioenpremies zijn betaald.
De curator bevestigt dat meerdere schuldeisers zich hebben gemeld, wat pluraliteit van schuldeisers aantoont. De rechtbank oordeelt dat het verzet ongegrond is en veroordeelt verzoeker in de proceskosten. Het vonnis is uitgesproken door rechter B.A. Cnossen op 12 maart 2021.
Uitkomst: Het verzet tegen de faillissementsuitspraak wordt ongegrond verklaard en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.