De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarig meisje voor de duur van negen maanden vanwege zorgen over de relatie tussen de ouders en de gemoedstoestand van de moeder.
Tijdens de mondelinge behandeling werd vastgesteld dat het kind zich goed ontwikkelt en geen kindsignalen vertoont. De ouders hebben zelf hulp gezocht en zijn gestart met mediation. De moeder is aangemeld bij de GGZ en de vader volgt behandeling bij de Waag. Er zijn zorgen over de draagkracht van de moeder, vooral in het licht van het KSCD-onderzoek naar de oudste twee kinderen, maar deze zorgen betreffen niet direct het kind in kwestie.
De kinderrechter concludeerde dat er geen sprake is van een zodanige ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Er is voldoende zicht op en toegang tot hulpverlening, en de ouders zijn bereid deze hulp te accepteren.
Daarom werd het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen. De beschikking is mondeling gegeven op 9 maart 2021 en schriftelijk vastgesteld op 17 maart 2021.