Verzoekster diende een verzoek in tot dwangakkoord ex artikel 287a Faillissementswet om schuldeisers te dwingen in te stemmen met een schuldregeling. De regeling bood een percentage van 11,23% aan preferente en 5,66% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar huidige inkomen uit een 24-urige zorgbaan. Ter zitting verklaarde verzoekster slachtoffer te zijn van de toeslagenaffaire en mogelijk recht te hebben op een schadevergoeding, maar kon niet duidelijk maken hoe deze vergoeding de schuldeisers zou bevoordelen.
De rechtbank hield de uitspraak aan om verzoekster de gelegenheid te geven te onderbouwen dat het aanbod het maximale was en dat het minnelijk traject meer opleverde dan de wettelijke schuldsaneringsregeling. Schuldhulpverlening kon geen duidelijkheid geven over de verdeling van een eventuele schadevergoeding aan schuldeisers, noch over de inspanningsverplichting tot uitbreiding van werkuren.
De rechtbank oordeelde dat het voorstel onvoldoende goed en betrouwbaar gedocumenteerd was en dat niet vaststond dat het aanbod het uiterste was waartoe verzoekster financieel in staat was. Gezien het ontbreken van garanties dat de schadevergoeding de schuldeisers ten goede zou komen en het prognosekarakter van het voorstel, woog het belang van de weigering van schuldeiser Capabel zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers. Het verzoek tot dwangakkoord werd daarom afgewezen.