Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
ROT 21/1286 (hoofdzaak)
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin de aanvraag van haar zus en diens minderjarige zoon voor een briefadres werd afgewezen. Tevens verzocht zij om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het bestreden besluit niet op verzoekster ziet en zij geen procesbelang heeft bij de procedure van haar zus. Hierdoor is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst er verder op dat indien verzoekster zelf een briefadres wil aanvragen, zij tegen een eventuele afwijzing bezwaar kan maken. Ook wordt geen spoedeisend belang aangenomen voor een briefadres over een periode in het verleden.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep van verzoekster wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.