ECLI:NL:RBROT:2021:2442

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 maart 2021
Publicatiedatum
23 maart 2021
Zaaknummer
ROT 21/986
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 7:11 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing omgevingsvergunning schuur bij rijksmonument in beschermd stadsgezicht

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een schuur bij de Bernisse molen, een rijksmonument gelegen in een beschermd stadsgezicht.

Verzoeker betoogde dat het college geen volledige heroverweging had uitgevoerd en dat de schuur onterecht als bijbehorend bouwwerk was aangemerkt terwijl deze voor een groot deel voor bedrijfsmatige activiteiten zou worden gebruikt. Tevens was onvoldoende onderzocht of het beschermd stadsgezicht niet onevenredig werd aangetast en was er geen archeologisch vooronderzoek verricht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college zich niet had gehouden aan de verplichting tot volledige heroverweging en onvoldoende onderzoek had gedaan naar de aard van het bouwwerk en de gevolgen voor het beschermd stadsgezicht. Ook de adviezen van de stedenbouwkundige en de Erfgoedcommissie waren onvoldoende gemotiveerd en onderzocht. De archeologische beroepsgrond werd afgewezen wegens het relativiteitsbeginsel.

Daarom werd de omgevingsvergunning geschorst tot zes weken na de beslissing op het beroep van verzoeker en werd het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoed.

Uitkomst: De omgevingsvergunning voor de schuur wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op het beroep van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/986
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Pol en mr. A. van Rossem).
Als derde-partij neemt aan het geding deel:
[naam vergunninghouder], te [woonplaats vergunninghouder] , vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een schuur op het perceel [adres] .
Bij besluit van 21 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. W.H.C. van Eck en [naam]
.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen.

Overwegingen

1. Vergunninghouder heeft op 15 april 2020 ten behoeve van het plaatsen van een schuur een vergunning aangevraagd. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel aan de [adres] . Op het perceel staat een molen (de Bernisse molen) die bewoond wordt door vergunninghouder. De molen is een rijksmonument. Het perceel is gelegen in beschermd stadsgezicht.
2. Verzoeker woont op ongeveer 35 meter afstand van het perceel.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ‘Geervliet’ en voor het bouwen van een nieuwe schuur. De omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De strijdigheid met het bestemmingsplan bestaat volgens verweerder uit het bouwen buiten het bouwvlak en het overschrijden van de maximale bouwhoogte van 3 meter. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2˚, van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, onder a, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), is bij de omgevingsvergunning afgeweken van het bestemmingsplan.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarcommissie het primaire besluit gehandhaafd.
5. Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit; hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in strijd met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen volledige heroverweging uitgevoerd. Er is geen sprake van een bijgebouw nu de schuur voor een groot deel gebruikt zal worden voor bedrijfsmatige activiteiten. Verweerder had niet zonder nadere motivering de adviezen van de stedenbouwkundige en de Erfgoedcommissie mogen overnemen nu niet is gebleken dat is getoetst aan de regels die gelden voor een ‘beschermd stadsgezicht’ en niet volstaan had mogen worden met de overweging dat het volume van de schuur acceptabel lijkt. Omdat ten behoeve van de aanleg van het toilet dieper dan 30 cm moet worden gegraven had een archeologisch vooronderzoek moeten plaatsvinden. Verzoeker betoogt verder dat de schuur die er stond zonder vergunning is gesloopt.
6.1
Op grond van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), eerste lid, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(..)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚ van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
6.2
In artikel 4 van Pro bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) (hierna ook: de kruimelgevallenregeling) is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komen:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan (…);
Uit artikel 1 van Pro Bijlage II blijkt dat onder “bijbehorend bouwwerk” wordt verstaan: “uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak”.
7. Voor het perceel [adres] geldt het bestemmingsplan ‘Geervliet’. Het perceel heeft daarin de bestemming ‘Horeca’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie I’ en ‘Waarde-beschermd stadsgezicht’.
Op grond van artikel 9.2.1 geldt voor de voor ‘Horeca’ aangewezen gronden voor het bouwen van gebouwen en overkappingen:
a. dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd;
b. dat de bouwhoogte van een overkapping niet meer mag bedragen dan 3 m.
In artikel 18.2 is voor de voor ‘Waarde-Archeologie I’ aangewezen gronden bepaald:
a. In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologische deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
b. deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld, ongeacht de oppervlakte; (…)
Op grond van artikel 21.2 van de planregels mag voor de voor ‘Waarde-beschermd stadsgezicht’ aangewezen gronden aan de gronden en de bebouwing geen verandering worden aangebracht ten aanzien van (a) de situering van gebouwen, (b) minimale en maximale goot- en bouwhoogte van gebouwen, (c) het bebouwingspercentage en bebouwingsoppervlakte van bouwpercelen, tenzij op de verbeelding anders wordt aangeduid, (d) de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, (e) gevelindeling van gebouwen, (f) voorgevelbreedte van gebouwen, (g) kaprichting van gebouwen, (h) dakhelling van gebouwen en (i) kleur- en materiaalgebruik van gebouwen.
Ingevolge artikel 21.3 van de bestemmingsplanregels mag het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 21.2 voor zover en indien daardoor de karakteristiek/kenmerken van het stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast. Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag advies in bij de monumentencommissie.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
uitgangspunt bij de beoordeling
8. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indien bij de bestuursrechter beroep is ingesteld op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter beoordeelt of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat de gevraagde voorlopige voorziening wordt getroffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
spoedeisend belang
9. Nu vergunninghouder is gestart met de werkzaamheden heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek.
belanghebbende
10. Gelet op de afstand van 35 meter van de woning van verzoeker tot de schuur en de omstandigheid dat verzoeker zicht zal hebben op de schuur kan verzoeker als belanghebbende worden aangemerkt.
afwijking van het bestemmingsplan
11. In 2017 is aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend om de molen - in strijd met de bestemming horeca - voor wonen te gebruiken. Tussen partijen is niet in geschil dat voor wat betreft de bouw van de schuur nog steeds de bepalingen in het bestemmingsplan die zien op horeca van toepassing zijn. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat volgens verweerder het bouwplan strijdig is met artikel 9.2.1 van de planregels, omdat sprake is van overschrijding van het bouwvlak én omdat de bouwhoogte van een overkapping niet meer mag bedragen van dan 3 meter. De rechtbank stelt vast dat de te bouwen schuur, gelet op de definitie van het begrip overkapping in artikel 1.58 van de planregels – een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en voorzien van maximaal één wand – niet als een overkapping kan worden gekwalificeerd, zodat de vraag rijst of dit artikellid van de planregels in deze relevant is.
heroverweging
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker terecht aanvoert dat er geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dient een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. De Algemene bezwaarcommissie heeft, zo blijkt uit haar advies, getoetst of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Nu een dergelijke toetsing geen volledige heroverweging behelst, had verweerder dit advies niet, althans niet zonder nadere motivering, mogen volgen. Verweerder heeft in het bestreden besluit volstaan met een verwijzing naar het advies van de Algemene bezwaarcommissie en heeft in het bestreden besluit geen blijk gegeven van een eigen volledige heroverweging. Dat wel alle bezwaren zijn behandeld, zoals door verweerder ter zitting is betoogd, maakt dit niet anders.
bijgebouw
13. Om als bijbehorend bouwwerk te kunnen worden aangemerkt moet sprake zijn van een functionele verbondenheid tussen de molen en de schuur. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet daarbij uitgegaan worden van het gebruik van de molen als woning, nu in 2017 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning is verleend om de molen - in strijd met de bestemming horeca - voor wonen te gebruiken.
14. Verzoeker stelt dat ten onrechte de kruimelgevallenregeling is toegepast omdat geen sprake is van een bijgebouw maar van een hoofdgebouw nu de schuur voor 75% voor bedrijfsmatige activiteiten gebruikt zal gaan worden. Ook de omvang van de schuur (6 x 20 m) en het feit dat een toilet in de schuur wordt aangelegd duidt daar volgens verzoeker op.
15. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet kunnen volstaan met de vaststelling dat, gelet op de aanvraag, de door vergunninghouder gegeven toelichting en de toelichting op de hoorzitting bij de algemene bezwaarcommissie, de schuur niet als een bedrijfsgebouw maar als een bijgebouw bij de woning moet worden gekwalificeerd. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de bezwaarcommissie in haar advies, dat door verweerder is overgenomen, sterk heeft benadrukt dat vergunninghouder, die als zzp-er werkzaam is als restaurateur-stukadoor, de atelierruimte wil gebruiken om te oefenen met restauratieve en decoratieve technieken, als stalling van fietsen en bewaarplaats van mallen en voor de opslag van materialen en gereedschappen. De bezwaarcommissie en daarmee ook verweerder hebben miskend dat vergunninghouder in zijn toelichting op de aanvraag (naar aanleiding van een brief van verweerder van 18 november 2019) is begonnen met de zinsnede:
“De atelierruimte zal worden gebruikt om de bij ons kleine bedrijf voorkomende restauratieve- en decoratieve technieken uit te oefenen, maar misschien nog meer om als liefhebberij traditionele vaktechnieken te testen en uit te diepen”.Vergunninghouder spreekt in zijn toelichting dus primair niet over “oefenen met” maar over “uitoefenen van” in zijn bedrijf voorkomende restauratieve en decoratieve technieken. Ter zitting heeft vergunninghouder nader toegelicht dat er op dit moment nog weinig vraag naar deze technieken is, maar dat hij hiermee in de toekomst bedrijfsmatig aan de slag wil. Nu sprake is van een forse schuur en behalve de opslag van fietsen alle activiteiten in de schuur nauw verbonden zijn met het restauratie- en stukadoorsbedrijf van vergunninghouder, en deze bovendien geen andere bedrijfsruimte tot zijn beschikking heeft, heeft verweerder zijn standpunt dat geen sprake is van een bedrijfsruimte en dat sprake is van een bijbehorend bouwwerk bij de woning van vergunninghouder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd alsook onvoldoende voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Advies stedenbouwkundige
16. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met verwijzing naar het advies van de stedenbouwkundige, gelet op de inhoud van dat advies.
16.1
De stedenbouwkundige heeft op 25 oktober 2019 een positief advies uitgebracht. In dit advies is onder meer overwogen: “
Het voorgestelde bouwwerk is vrij fors. De positionering is zodanig dat het de begrenzing van het achtererf vormt. Om die reden lijkt het volume acceptabel.” Nu de stedenbouwkundige heeft overwogen dat het bouwvolume acceptabel ‘lijkt’ en zij bovendien in haar uiteindelijk advies heeft overwogen dat meewerken aan dit initiatief stedenbouwkundig geen bezwaar ‘lijkt’ op te leveren, had verweerder in het kader van zijn vergewisplicht bij de deskundige moeten nagaan waarom deze tot twee maal toe het woord “lijkt” heeft gebruikt en desondanks tot een positief advies is gekomen.
Adviezen Erfgoedcommissie tevens welstandscommissie
17. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder de adviezen van de Erfgoedcommissie, die in de gemeente Nissewaard tevens welstandscommissie is, niet zonder nadere motivering had mogen overnemen. Hij stelt dat de adviezen van de Erfgoedcommissie, die vervat zijn in de notulen van de vergaderingen, elke vorm van onderbouwing ontberen en daarom niet als advies kunnen dienen. Er wordt in de adviezen niet gerefereerd aan eisen in regelgeving en de mate waarin het plan hieraan voldoet.
17.1
Volgens vaste jurisprudentie mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
17.2
De voorzieningenrechter is met verzoeker van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met het overnemen van de adviezen van de Erfgoedcommissie tevens welstandscommissie. Hij overweegt hiertoe als volgt.
17.3
Het bouwplan is diverse keren aan de orde geweest in de vergadering van de Erfgoedcommissie tevens welstandscommissie. Op 24 september 2019 is blijkens de notulen opgemerkt dat er geen bouwvlak is voor een dergelijke grote schuur en: “de gewenste schuur oogt te massaal. In overleg met stedenbouw uitgangspunten bepalen”. Uit de notulen van de vergadering van 22 oktober 2019 blijkt dat de commissie om gemaatvoerde tekeningen, kleurstelling en materialisatie heeft gevraagd en is gevraagd aandacht te besteden aan de overige inrichting van het perceel en de erfafscheidingen. De Erfgoedcommissie heeft op 5 mei 2020 volgens de notulen akkoord gegeven. Bij opmerkingen staat: “Heldere hoofdopzet van een bouwlaag met zadeldak. Materialen en kleuren zijn akkoord: oranje keramische pan en zwarte houten gevelplanken. (…) Op het terrein zijn diverse kleine bouwwerkjes en objecten te zien. De blokhut zal verdwijnen. Met de bouw van een goede schuur zal de situatie verbeteren”.
17.4
In haar advies van 30 september 2020 heeft de Erfgoedcommissie tevens welstandscommissie haar advies op schrift gesteld. In dit advies stelt de commissie, verwijzend naar de welstandsnota, dat voor het perceel het welstandsniveau Bijzonder: Toetsing tabel Kerkringdorp en Voorstraat-Kerkringdorpen, van toepassing is. De commissie stelt in haar advies dat het plan niet strijdig is met redelijke eisen van welstand en dat het plan is getoetst aan de criteria en de aanbevelingen van het welstandsbeleid van de gemeente op de volgende punten: situering, hoofdvorm, gevelaanzicht en materialisatie, kleurgebruik en detaillering. Ook uit dit advies blijkt niet dat de omvang van de schuur een punt van beoordeling is geweest. Nu volgens de genoemde notulen van 24 september 2019 de gewenste schuur te massaal oogde en uit de notulen niet is gebleken dat dit aspect nadien nog aan de orde is gekomen, is niet duidelijk hoe de commissie tot de kennelijke conclusie is gekomen dat de schuur toch niet te massaal overkomt en waarom is besloten toch positief te adviseren, dit mede bezien in het licht van het feit dat ook de stedenbouwkundige van mening was dat het om een fors bouwwerk gaat. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met de stelling dat er geen reden is om aan te nemen dat de genoemde adviezen wat betreft inhoud of totstandkoming gebreken vertonen. Het had naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verweerder gelegen om hier in het kader zijn vergewisplicht nader op in te gaan.
17.5
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de notulen van de Erfgoedcommissie en uit het uiteindelijke advies van 30 september 2020 evenmin dat en op welke manier is meegewogen dat het perceel onderdeel uitmaakt van een beschermd stadsgezicht. Nu artikel 21.3 van de bestemmingsplanregels bepaalt dat verweerder een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 21.2 voor zover en indien daardoor de karakteristiek en kenmerken van het beschermd stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast en verweerder daartoe advies moet inwinnen bij de monumentencommissie (waarmee de erfgoedcommissie tevens welstandscommissie zal zijn bedoeld), had de erfgoedcommissie naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter uitdrukkelijk advies moeten uitbrengen over de vraag of door het bouwplan de karakteristiek en kenmerken van het beschermd stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast. Dat in de notulen van 22 oktober 2019, 10 maart 2020 en 5 mei 2020 bij beschermde status staat: rijksmonument, beschermd stadsgezicht, acht de voorzieningenrechter hiertoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat een dergelijke toetsing reeds volgt uit de ligging in een beschermd stadsgezicht.
17.6
Voor wat betreft de stelling van verzoeker dat de gevel op grond van de regels voor bouwen in beschermd stadsgezicht bedekt moet zijn met gepotdekselde delen blijkt uit het advies van de erfgoedcommissie van 30 september 2020 weliswaar dat de commissie het uitvoeren van de gevels in houten horizontale planken, de methode van rabatdelen, niet strijdig acht met redelijke eisen van welstand wegens de afstand tot het monument en de straat en omdat het een nieuw te bouwen schuur betreft van ondergeschikte omvang ten opzichte van het monument en de in de omgeving voorkomende volumes, maar ook op dit punt blijkt niet dat door de commissie is beoordeeld of de karakteristiek en kenmerken van het beschermd stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast.
17.7
Gelet op het hiervoor overwogene had verweerder zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder nader onderzoek mogen baseren op de adviezen van de Erfgoedcommissie tevens welstandscommissie. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de vergewisplicht zoals neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb.
archeologisch vooronderzoek
18. Verzoeker heeft aangevoerd dat ten behoeve van de aanleg van het toilet en de daarbij behorende riolering dieper dan 30 cm moet worden gegraven. Op grond van artikel 18.2 van de bestemmingsplanvoorschriften moet in dat geval een rapport van een archeologische deskundige worden overgelegd. De voorzieningenrechter overweegt dat deze bepaling in het bestemmingsplan strekt tot bescherming van het algemeen belang van het behoud van archeologische waarden en aldus kennelijk niet tot de belangen van verzoeker. Diens belang is ook niet verweven met het algemeen belang van archeologische waarden dat de betreffende planregel beoogt te beschermen. Daarom zal de voorzieningenrechter, wat er ook inhoudelijk van deze beroepsgrond zij, deze beroepsgrond in het kader van de behandeling van dit verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:69a van de Awb buiten beschouwing laten.
sloopvergunning
19. Voor zover al niet zou zijn voldaan aan de eis van een sloopvergunning voor de sloop van de bestaande schuur, kan dit niet leiden tot vernietiging van het door verzoeker bestreden besluit.
Conclusie
20. Gelet op het hiervoor overwogene komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het bestreden besluit in beroep geen stand kan houden. Gelet op de omstandigheid dat vergunninghouder voornemens is met de bouwwerkzaamheden verder te gaan ziet de voorzieningenrechter daarom aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudend dat de omgevingsvergunning wordt geschorst tot zes weken nadat op het beroep van verzoeker is beslist.
21. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op verzoekers beroep;
- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021.
De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.