ECLI:NL:RBROT:2021:2796

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2021
Publicatiedatum
30 maart 2021
Zaaknummer
C/10/614131 / JE RK 21-514
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige gedragsproblemen

De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op 11 maart 2021 de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige verlengd tot 1 juni 2021. Dit besluit volgt op een eerdere voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing na een incident waarbij het gedrag van het kind volledig uit de hand liep.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond hebben het verzoek tot verlenging ondersteund. Er zijn ernstige zorgen over het gedrag van het kind, waaronder agressie, het niet accepteren van ouderlijk gezag, en problemen met emotie- en agressieregulatie. Ondanks eerdere hulpverlening en een vrijwillige crisisopvang is de situatie geëscaleerd.

De ouders hebben aangegeven dat zij het beste willen voor het kind, maar zelf niet in staat zijn de situatie te verbeteren zonder hulp. De kinderrechter acht verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding en om de veiligheid van het kind en zijn omgeving te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van het kind wordt verlengd tot 1 juni 2021.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/614131 / JE RK 21-514
datum uitspraak: 11 maart 2021

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[naam kind],

geboren op [geboortedatum kind] 2006 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder],

[naam vader],

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 1 maart 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het verleningsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel van 10 maart 2021.
Op 11 maart 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- [naam kind], die apart is gehoord,
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam 1],
- twee vertegenwoordigsters van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam
Rijnmond (hierna: de GI), [naam 2] en [naam 3].

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.
[naam kind] verblijft in een crisisopvang.
Bij beschikking van 1 maart 2021 is [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld tot
1 juni 2021.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 1 maart 2021 ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 29 maart 2021.

Het verzoek

De Raad heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De standpunten

De Raad heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Naar aanleiding van een incident in de thuissituatie, waarbij het gedrag van [naam kind] volledig uit de hand is gelopen, is een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verzocht. Het is noodzakelijk dat de uithuisplaatsing wordt gecontinueerd in verband met de acute bedreiging van de ontwikkeling van [naam kind] en om de veiligheid van zijn huisgenoten te waarborgen. In de komende periode moet bekeken worden wat er nodig is aan hulpverlening.
De GI heeft het verzoek van de Raad ondersteund en naar voren gebracht dat het crisisteam in het afgelopen jaar meerdere keren betrokken is geweest. Er is in april 2020 ambulante spoedhulp ingezet. De hulp is vervolgens overgedragen aan het wijkteam. In december 2020 is [naam kind] als gevolg van een escalatie in de thuissituatie op vrijwillige basis in een crisisopvang geplaatst. Er was specialistische ambulante hulp aangevraagd bij Stichting Timon in de vorm van MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT). Er is met de inzet van deze hulp toegewerkt naar een thuisplaatsing van [naam kind]. Het is recent echter opnieuw geëscaleerd in de thuissituatie. Er bestaan ook zorgen over de schoolgang van [naam kind], zijn gedrag op school en de politiecontacten. [naam kind] accepteert het gezag van de ouders niet. Er is al langere tijd sprake van een verstoorde relatie tussen [naam kind] en de vader. Ondanks de inzet van hulpverlening lukt het niet om thuis de rust te bewaren. Er wordt bekeken of een plaatsing van [naam kind] bij Prokino passend is. Ook is er een aanvraag ingediend voor School2Care.
De vader heeft medegedeeld dat [naam kind] al langere tijd gedragsproblemen vertoont. De ouders hebben op verschillende manieren en met de inzet van hulpverlening geprobeerd om het gedrag van [naam kind] te veranderen. Nadat [naam kind] in december 2020 in de crisisopvang heeft verbleven zijn er afspraken gemaakt, maar hij komt deze afspraken niet na. De vader wil het beste voor [naam kind]. Hij heeft zich wel te houden aan de normen en waarden die gelden binnen het gezin. Het lukt de ouders zelf niet om de situatie te veranderen en zij hebben hier hulp bij nodig.
De moeder heeft medegedeeld dat de regels en grenzen die de ouders stellen door [naam kind] niet worden geaccepteerd. Zij wil graag dat [naam kind] geholpen wordt.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ernstige zorgen bestaan over het gedrag van [naam kind] in de thuissituatie. [naam kind] is zelfbepalend, onttrekt zich aan het gezag van de ouders en er zijn zorgen over zijn emotie- en agressieregulatie. Duidelijk wordt ook dat het de ouders niet lukt om hier goed mee om te gaan. Ondanks de inzet van hulpverlening en een vrijwillige plaatsing op een crisisopvang in december 2020, zijn de gedragsproblemen van [naam kind] in de afgelopen periode in ernst toegenomen. [naam kind] heeft zich nog niet ingezet om mee te werken aan de hulpverlening in de vorm van MDTF.
Als gevolg van een escalatie, waarbij [naam kind] fysiek agressief is geweest en de veiligheid van [naam kind] en zijn omgeving niet meer gewaarborgd kon worden, is [naam kind] op een crisisopvang geplaatst. Bij bespreking van dat incident met [naam kind] en de ouders blijkt dat zij in de opvoedingssituatie tegenover elkaar lijken te staan. In de komende tijd moet door de GI, in samenspraak met de ouders, bekeken worden welke hulpverlening passend is voor [naam kind] en de ouders en op welke wijze er veilig toegewerkt kan worden naar een thuisplaatsing. Tot die tijd dient de uithuisplaatsing te worden voortgezet.
Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 juni 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2021 door mr. M. van Kuilenburg , kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 maart 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.