Art. 6:4 WvggzArtikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek zorgmachtiging op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 maart 2021 een verzoek van de officier van justitie tot het opleggen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan een schizotypische persoonlijkheidsstoornis.
Betrokkene was eerder gedwongen opgenomen geweest vanwege een psychotische decompensatie en werd daarna ambulant behandeld met medicatie. De ambulante behandeling verliep moeizaam door onenigheid tussen betrokkene en het behandelteam. Sinds begin januari 2021 was er geen contact meer tussen betrokkene en het ambulant behandelteam, terwijl de geldigheid van de vorige zorgmachtiging liep tot 24 februari 2021.
De sociaal psychiatrisch verpleegkundige verklaarde dat betrokkene niet reageerde op berichten en dat betrokkene ondanks het ontbreken van contact stabiel bleef, werkte en auto reed. De advocaat voerde aan dat verplichte zorg niet doelmatig was omdat het momenteel goed ging met betrokkene.
De rechtbank oordeelde dat het ernstig nadeel dat zich in het verleden had voorgedaan momenteel niet aan de orde was en dat er geen grote reden voor zorg was. Daarom werd het verzoek tot zorgmachtiging afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen omdat betrokkene stabiel is en er geen ernstig nadeel is.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/613293 / FA RK 21-1214
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 3 maart 2021 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene],
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats betrokkene],
advocaat mr. J.A. Smits te Rotterdam.
1..Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 15 februari 2021, en het proces-verbaal van deze rechtbank van
23 februari 2021.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de medische verklaring opgesteld door [naam 1], psychiater, van
5 februari 2021;
de niet ingevulde zorgkaart van 8 februari 2021;
het zorgplan van 4 februari 2021;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
het bericht dat er geen relevante politiegegevens en strafvorderlijke- en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het bij voormeld proces-verbaal aangehouden verzoek heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021.
Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 vanPro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en/of geluidverbinding gehoord:
betrokkene met zijn advocaat;
[naam 2], sociaal psychiatrisch verpleegkundige, verbonden aan Yulius.
1.3.
De officier is niet gehoord, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2..Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizotypische (persoonlijkheids)stoornis. De advocaat voert aan dat betrokkene zich niet kan vinden in deze diagnose. De rechtbank heeft echter geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de medische verklaring.
2.2.
Betrokkene is al enkele jaren bekend binnen de geestelijke gezondheidszorg. Eind 2019 is betrokkene in verband met een psychotische decompensatie gedwongen opgenomen geweest. Tijdens deze opname is betrokkene ingesteld op medicatie, waarna hij ambulant is behandeld. De ambulante behandeling is moeizaam verlopen vanwege aanhoudende onenigheid tussen betrokkene en het behandelteam. De ambulante behandeling bestond uit wekelijkse medicatie-inname. Sinds begin januari 2021 hebben betrokkene en het ambulant behandelteam geen contact meer gehad, terwijl de geldigheid van de vorige zorgmachtiging pas op 24 februari 2021 is verstreken. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige verklaart dat hij betrokkene wel enkele berichten heeft gestuurd, maar dat betrokkene daar niet op heeft gereageerd. Aangezien betrokkene de afgelopen maanden ook zonder contact met het ambulant behandelteam stabiel is gebleven (betrokkene werkt en rijdt auto), betwijfelt hij of de medicatie effect heeft op het toestandsbeeld. De advocaat geeft aan dat er gezien het verleden weliswaar sprake is van een psychische stoornis en ernstig nadeel, maar dat het nu goed gaat met betrokkene en verplichte zorg niet doelmatig is gebleken. De advocaat pleit dan ook voor afwijzing van het verzoek. De rechtbank overweegt dat de afgelopen maanden geen contact met het ambulant behandelteam is geweest terwijl daartoe wel een zorgmachtiging is afgegeven tot 24 februari 2021; er is dus kennelijk geen grote reden voor zorg geweest. Het ernstig nadeel dat zich in verleden heeft voorgedaan, is momenteel niet aan de orde. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van ernstig nadeel. Hiermee vervalt de grond voor het opleggen van verplichte zorg.
2.3.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.
3..Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 3 maart 2021 mondeling gegeven door mr. D.Y.A. van Meersbergen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, en op 5 maart 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.