11.3De voorzieningenrechter vindt dat er op dit moment nog teveel onduidelijkheid bestaat over de vraag of in dit geval sprake is van een ‘voor het publiek openstaand gebouw’. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij vindt dat aan dit criterium wordt voldaan omdat de groothandel een voor het publiek openstaand gebouw is, ook al betreft dit een beperkt publiek (alleen groothandelaren). Verzoekster stelt daarentegen dat het niet een voor het publiek openstaand gebouw is omdat het terrein alleen via een doorgang met een slagboom kan worden bereikt, er kentekenregistratie plaatsvindt en het terrein ook volgens het bestemmingsplan en huishoudelijk reglement van [naam bedrijf 2] alleen toegankelijk dient te zijn voor groothandelaren. Particulieren kunnen in de praktijk wel het terrein op en kunnen het terrein verlaten door betaling bij de portier (of door gebruikmaking van de pas van een gerechtigde) maar dit is niet gebruikelijk. Aan de ene kant stelt verzoekster dat het voor een ieder wel mogelijk is onder voorwaarden het terrein te betreden, maar dat het in feite alleen voor groothandelaren toegankelijk is, mede gelet op het huishoudelijk reglement van [naam bedrijf 2] en het bestemmings-plan. De voorzieningenrechter kan niet in uit het dossier afleiden of in het bestek van deze voorlopige voorziening vaststellen wat het feitelijke toelatingsbeleid gedurende langere termijn is. Er kan daarom nu niet worden vastgesteld of hier sprake is van voor het publiek openstaande gebouwen.
12. Daarnaast heeft verzoekster ten aanzien van de noodzaak tot sluiting van de bedrijfspanden gesteld dat geen van de in het rapport genoemde containers uit het strafrechtelijk onderzoek op enig moment in de bedrijfspanden is geweest (dit is volgens verzoekster vanwege de afmetingen van de bedrijfspanden niet mogelijk, wat verweerder niet betwist) en dat, als er sprake zou zijn van het faciliteren van strafbare/criminele activiteiten met gebruikmaking van bedrijfsgegevens, aanwezigheid in de bedrijfspanden daarvoor niet nodig is. Dit zou ook vanuit huis kunnen.
Volgens verweerder is de sluiting met name noodzakelijk in het belang van de openbare orde en in het verlengde daarvan ook ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat. Verweerder heeft echter in navolging van wat verzoekster aanvoert niet gemotiveerd wat de noodzaak is gelet op het feit dat onweer-sproken is gesteld dat er geen containers in de bedrijfspanden zijn geweest en dat ook zonder aanwezigheid ter plaatse dergelijke faciliterende activiteiten zouden kunnen worden verricht. Uit het rapport blijkt verder niet in hoeverre er in en/of vanuit de bedrijfspanden faciliterende activiteiten hebben plaatsgevonden. Er heeft alleen in [adres 2] een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij ‘geen terzake dienende feiten’ zijn is aangetroffen. Ook is in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom ook ten aanzien van de twee niet in het rapport (en het voornemen) genoemde bedrijfspanden ( [adres 1] en [adres 3] ) een sluiting noodzakelijk is in het belang van de openbare orde. Het enkele feit dat verzoekster volgens het Handelsregister formeel is gevestigd op [adres 2] en haar bedrijf feitelijk niet alleen voert op dat nummer, maar ook op [adres 1] en [adres 3] is daarvoor te weinig. Daarbij staat als onbetwist vast dat de bedrijfspanden niet allemaal aaneengesloten zijn. Tussen [adres 1] en [adres 2] is een ander, niet aan verzoekster gelieerd bedrijf gevestigd.
13. Verder heeft verweerder eerst ter zitting ten aanzien van de evenredigheid van de sluiting toegelicht dat voor de duur van de sluiting (drie maanden) is aangesloten bij een oude horecanota die gold van 2012-2016. In het besluit is de duur van de sluiting echter helemaal niet gemotiveerd.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, vindt de voorzieningenrechter dat er op dit moment nog teveel onduidelijkheden bestaan en dat er op het bestreden besluit zoals het er nu ligt dus nog wel wat af te dingen valt, terwijl het hier gaat om een vérstrekkend besluit, namelijk een besluit tot sluiting van drie bedrijfspanden voor de duur van drie maanden met alle mogelijke schade voor verzoekster tot gevolg. Bij die stand van zaken wegen de belangen van verzoekster in deze fase zwaarder dan verweerders belangen. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in dit geval gelet op de belangen van verzoekster een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit te schorsen.
15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
16. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).