De rechtbank Rotterdam heeft op 31 maart 2021 de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte geschorst die wordt verdacht van het bezit van een vuurwapen. De rechter-commissaris had op 18 maart 2021 de bewaring bevolen, waarna de officier van justitie de gevangenhouding vorderde. Na kennisname van het strafdossier en het horen van partijen heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis op verzoek van de verdediging toegewezen.
De rechtbank constateerde dat de verdenking en ernstige bezwaren nog steeds aanwezig zijn, maar dat de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder eerdere overvallen en geweldsincidenten tegen hem en zijn familie, en het feit dat de officier van justitie geen voldoende veiligheid kon garanderen, weegt het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder dan het strafvorderlijk belang.
De rechtbank stelde voorwaarden aan de schorsing, waaronder medewerking aan identificatie, het niet plegen van strafbare feiten, het verschijnen op oproepen, het naleven van een avondklok en het meewerken aan jeugdreclassering. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder deze voorwaarden voor een termijn van dertig dagen, ingaande 1 april 2021 om 10:00 uur.