Eiseressen werden door verweerder bestuurlijke boetes opgelegd wegens het in de handel brengen van navulvloeistoffen met een lager nicotinegehalte dan op de verpakking vermeld. De producten werden geïnspecteerd en monsters onderzocht door het RIVM, waaruit bleek dat het nicotinegehalte lager was dan aangegeven. Verweerder kwalificeerde eiseressen als importeurs en overtreder van artikel 3, eerste lid, van de Tabaks- en rookwarenwet.
Eiseressen betoogden dat zij niet als overtreder konden worden aangemerkt omdat zij de producten niet aan consumenten ter beschikking hadden gesteld en dus niet 'in de handel hadden gebracht'. De rechtbank oordeelde dat het begrip 'in de handel brengen' in de wet en de EU-richtlijn beperkt is tot de terbeschikkingstelling aan consumenten, en dat alleen detaillisten producten daadwerkelijk in de handel brengen.
Omdat eiseressen de producten niet aan consumenten ter beschikking hadden gesteld, waren zij geen normadressaat van het overtreden artikel. De boetes waren daarom ten onrechte opgelegd. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten. Tevens werd de redelijke termijn niet overschreden en werden de proceskosten aan eiseressen toegewezen.