ECLI:NL:RBROT:2021:3133
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering werknemer op werkgever tot betaling vakantiedagen, vakantietoeslag en incassokosten na surseance van betaling
De werknemer trad op 1 augustus 2015 in dienst bij de werkgever, die per 1 januari 2017 de arbeidsovereenkomst beëindigde. Na surseance van betaling van de werkgever vorderde de werknemer betaling van achterstallig vakantiegeld, vakantietoeslag, niet genoten vakantiedagen en incassokosten. Het UWV nam de loonbetalingsverplichtingen over voor een beperkte periode, maar vorderde later terugbetaling van een deel van de bedragen.
De werknemer stelde dat hij recht had op betaling van 23 niet genoten vakantiedagen en vakantietoeslag over de periode van augustus 2015 tot december 2016. De werkgever betwistte dit en voerde onder meer aan dat de werknemer alle vakantiedagen had opgenomen en dat de vordering gematigd moest worden tot 30% conform een homologatieakkoord. Ook werd betwist dat wettelijke verhoging, rente en incassokosten verschuldigd waren.
De rechtbank oordeelde dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd en dat het UWV slechts de loonbetalingsverplichting over een beperkte periode had overgenomen. De werknemer mocht daarom rechtstreeks vorderen. De rechtbank kende een netto-equivalent van 14 vakantiedagen toe en het volledige bedrag aan vakantietoeslag. De wettelijke verhoging werd gematigd tot 25% vanwege het tijdsverloop en omstandigheden rondom de terugvordering door het UWV. De vordering tot incassokosten werd deels toegewezen. Conservatoire beslagen op bankrekeningen van de werkgever werden niet opgeheven. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsommen, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.
Uitkomst: De werknemer krijgt betaling van vakantiedagen, vakantietoeslag en incassokosten met matiging van wettelijke verhoging toegewezen.