In deze kortgedingprocedure staat centraal of [bedrijf A] de gehuurde bedrijfsruimte mocht gebruiken als Covid-19 testlocatie in plaats van kantoorruimte, en of zij terecht de huurbetalingen heeft opgeschort.
[bedrijf A] huurde sinds 1 december 2020 een bedrijfsruimte van [bedrijf C] en gebruikte deze vanaf medio december als testlocatie. [bedrijf D], eigenaar van het pand, sommeerde [bedrijf A] de testlocatie te sluiten. [bedrijf A] vorderde toegang en nakoming van de huurovereenkomst, terwijl [bedrijf C] en [bedrijf D] stelden dat het gebruik als testlocatie niet was toegestaan en dat huurachterstand bestond.
De rechtbank oordeelt dat de huurovereenkomst geen duidelijkheid geeft over het toegestane gebruik en dat de partijen hierover verschillende verklaringen hebben gegeven. De kortgedingprocedure leent zich niet voor uitgebreid bewijsonderzoek om de bedoeling van partijen vast te stellen.
Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van [bedrijf A] af wegens onvoldoende spoedeisend belang en onzekerheid over de contractuele bestemming. Ook de reconventionele vorderingen van [bedrijf C] tot ontruiming en betaling worden afgewezen, omdat deze afhankelijk zijn van de uitkomst van de conventie.
De proceskosten worden verdeeld waarbij [bedrijf A] wordt veroordeeld tot betaling van kosten aan de zijde van [bedrijf B], [bedrijf C] en [bedrijf D], terwijl [bedrijf C] geen kosten hoeft te vergoeden aan [bedrijf A].