De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding waarin Stichting Havensteder vorderde dat [gedaagde] haar woning zou ontruimen vanwege mishandeling van een medewerker en schending van goed huurderschap.
Feiten betroffen een incident op 22 september 2020, waarbij een medewerker van Havensteder werd mishandeld door de vriend van [gedaagde] en een onbekende derde, na een conflict over autobanden die onrechtmatig in de gemeenschappelijke ruimte stonden. Getuigenverklaringen, waaronder die van de medewerker, collega, glazenwasser en de vriend van [gedaagde], bevestigden de agressieve confrontatie.
Havensteder stelde dat [gedaagde] als huurder aansprakelijk is voor het gedrag van haar huisgenoten en dat dit een tekortkoming is die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De kantonrechter oordeelde dat het gedrag onacceptabel was en dat Havensteder een spoedeisend belang had bij ontruiming. De vordering werd toewijsbaar geacht, mede omdat [gedaagde] zich niet had gedistantieerd van het geweld en de mishandeling.
De rechtbank veroordeelde [gedaagde] tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening en tot betaling van proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat naleving ook bij hoger beroep verplicht blijft.